ONDERZOEK BEWINDVOERING BESCHERMINGSBEWIND
In verband met tv programma.
Heeft u problemen (gehad) met bewindvoering beschermingsbewind (bij ouderen) zoals fraude; treft u rekeningen aan die leeggehaald zijn; treft u bankkluizen aan waarvan de inhoud zoek is; ontdekt u problemen rond het blokkeren van de rekening bij een bank na overlijden; neemt u een rechter waar die niet objectief oordeelt; treft u artsen die onduidelijk zijn over de wilsbekewaamheid; treft u een notaris die geen openheid van zaken geeft bij de boedelverdeling en nalatenschap, heeft u te maken met een bewindvoerder die zich niet verantwoordt; heeft u te maken met advocaten die tegenwerken, worden klachten over advocaten en notarissen niet correct behandeld etc. etc. etc.
Meld uw ervaring of onvrede over notarissen, bewindvoerders en advocaten a.u.b.
via info @ ouderenbescherming.nl
donderdag 4 september 2008
zaterdag 16 augustus 2008
VOORBEELD VAN FRAUDE EN DIEFSTAL ALS ZAKEN NIET GOED GEREGELD ZIJN
1e persbericht van woensdag 15 september Eindhoven 15-09-2004 -
Berichten uit de regio Eindhoven:
Aanhoudingen na fraude met vermogen dementerende vrouw
Maandag en dinsdag zijn in Eindhoven in hun woning een man van 78 en een vrouw van 61 aangehouden.
De twee worden verdacht van diefstal en fraude.
Ze hebben in de periode van 2001 tot april 2003 zich proberen te verrijken aan het vermogen van een dementerende vrouw (75 jaar oud).
De twee hadden al acht jaar lang de zorg voor de alleenstaande vrouw op zich genomen.
Toen de geestelijk toestand van de vrouw verder verslechterde constateerde haar bewindvoerder dat er onrechtmatige geldopnamen plaats vonden.
Er werd ook geprobeerd het testament van de dementerende vrouw te wijzigen maar dat lukte niet, omdat een notaris ingreep. Ook een bankmedewerker greep in toen hij zag dat er onrechtmatige wijzigingen plaats vonden met betrekening tot het vermogen van de vrouw.
Nadat de bedragen die gepind werden steeds groter werden en de twee zich probeerden te bevoordelen met schenkingen van het slachtoffer deed de bewindvoerder aangifte bij de politie.
De politie startte met ondersteuning van het interregionaal bureau geld- en waardeverkeer Zuid-Nederland een onderzoek naar de diefstal en fraude. Door de fraude en diefstal is het slachtoffer met een bedrag tussen 27.000 tot 45.000 euro benadeeld. De twee zijn in verzekering gesteld. De politie verwacht nog meer aanhoudingen te verrichten in deze zaak.
Berichten uit de regio Eindhoven:
Aanhoudingen na fraude met vermogen dementerende vrouw
Maandag en dinsdag zijn in Eindhoven in hun woning een man van 78 en een vrouw van 61 aangehouden.
De twee worden verdacht van diefstal en fraude.
Ze hebben in de periode van 2001 tot april 2003 zich proberen te verrijken aan het vermogen van een dementerende vrouw (75 jaar oud).
De twee hadden al acht jaar lang de zorg voor de alleenstaande vrouw op zich genomen.
Toen de geestelijk toestand van de vrouw verder verslechterde constateerde haar bewindvoerder dat er onrechtmatige geldopnamen plaats vonden.
Er werd ook geprobeerd het testament van de dementerende vrouw te wijzigen maar dat lukte niet, omdat een notaris ingreep. Ook een bankmedewerker greep in toen hij zag dat er onrechtmatige wijzigingen plaats vonden met betrekening tot het vermogen van de vrouw.
Nadat de bedragen die gepind werden steeds groter werden en de twee zich probeerden te bevoordelen met schenkingen van het slachtoffer deed de bewindvoerder aangifte bij de politie.
De politie startte met ondersteuning van het interregionaal bureau geld- en waardeverkeer Zuid-Nederland een onderzoek naar de diefstal en fraude. Door de fraude en diefstal is het slachtoffer met een bedrag tussen 27.000 tot 45.000 euro benadeeld. De twee zijn in verzekering gesteld. De politie verwacht nog meer aanhoudingen te verrichten in deze zaak.
zondag 27 juli 2008
Aanbevelingen meerderjarigenbewind
Aanbevelingen meerderjarigenbewind
Inleiding
Het LOK (Landelijk Overleg Kantonsectorvoorzitters) heeft in 2003 de Commissie Bewind en Familie ingesteld en deze commissie belast met advisering op die terreinen aan het LOK, mede met het oog op gewenste uniformering in de rechtstoepassing binnen de verschillende sectoren. Aan de hieronder vermelde aanbevelingen met toelichting heeft het LOK op 26 april 2004 zijn goedkeuring gehecht. Deze aanbevelingen strekken landelijk, dus in alle kantonsectoren, tot uitgangspunt waarvan in bijzondere gevallen kan worden afgeweken. Het LOK zal het uitwisselen van ervaringen met deze aanbevelingen tussen de verschillende kantonsectoren stimuleren. Met deze aanbevelingen zijn de vragen die in de bewindpraktijk kunnen rijzen niet uitputtend behandeld.Afgesproken is dat de aanbevelingen periodiek, en voor het eerst binnen twee jaar na inwerkingtreding, geëvalueerd worden en aan de hand van de bevindingen zo nodig worden aangevuld of bijgesteld.De op 7 juni 1999 door het LOK vastgestelde, en per 1 januari 2002 aangepaste, aanbevelingen zijn hiermee per datum van publicatie van deze nieuwe aanbevelingen op 1 juni 2004 vervallen.Vooruitlopend op de goedkeuring van het geheel aan nieuwe aanbevelingen heeft het LOK in 2003 ingestemd met nieuwe beloningsafspraken en het daarbij behorende takenpakket voor professionele, bij de Branchevereniging voor professionele bewindvoerders en inkomensbeheerders (hierna: de Branchevereniging) aangesloten, bewindvoerders. Deze afspraken zijn in werking getreden op 1 januari 2004 en maken thans deel uit van de aanbevelingen onder C.
LET OP:
De onder C. 1 sub c vermelde beloning voor de professionele, bij de Branchevereniging aangesloten, bewindvoerders wordt jaarlijks, en voor het eerst per 1 januari 2005, geïndexeerd aan de hand van de in de toelichting genoemde maatstaf.
Aan het slot van de toelichting op onderdeel C staan de geïndexeerde bedragen vermeld.
Op 10 april 2006 heeft het LOK ingestemd met een aanvulling op de toelichting op onderdeel D. De desbetreffende passage is aan het slot van de toelichting geplaatst en voorzien van de aanduiding “aanvulling”.
Voorts heeft het LOK op 16 april 2007 ingestemd met de aanbeveling plus toelichting omtrent het overgangsrecht voor lopende bewinden. Deze aanbeveling is gemaakt met het oog op inwerkingtreding per 1 mei 2007 van de Wet van 22 november 2006, Stb 2006,589 (Wet herschikking), en heeft een plaats gekregen als onderdeel H.
In december 2007 heeft het LOK besloten gebruik te maken van de mogelijkheid in aanbeveling C 1, laatste zin, om de tarieven voor de niet-professionele bewindvoerders en voor de niet bij de Branchevereniging aangesloten professionele bewindvoerders aan te passen. Dit zal, voor het eerst per 1 januari 2008, jaarlijks gebeuren op basis van de maatstaf die geldt voor bewindvoerders die bij de Branchevereniging zijn aangesloten. Daarbij vindt in de even jaren afronding af naar boven plaats, en in de oneven jaren een afronding naar beneden. Aan het slot van de toelichting op onderdeel C staan nu ook de aldus vastgestelde bedragen vermeld van de onder C .1 sub a en b vermelde beloningen.
Ook heeft het LOK ingestemd met een aanvulling op de aanbeveling over de beloning van professionele bewindvoerders. Vanaf 1 mei 2008 mag voor het opmaken van een eindrekening en -verantwoording per een andere datum dan 31 december of 1 januari van enig jaar, een forfaitair tarief van € 150,-- in rekening worden gebracht. Dit geldt niet bij verwijtbaar ontslag van de bewindvoerder.
A. Aanbevelingen betreffende het instellen van meerderjarigenbewind1. Wanneer in één verzoekschrift instelling van zowel bewind als mentorschap wordt gevraagd, zal één keer vastrecht worden berekend. Datzelfde geldt wanneer in één verzoekschrift bewind ten behoeve van twee echtelieden of daarmee gelijk te stellen partners wordt gevraagd. 2. Ter beoordeling van de noodzaak en de omvang van het bewind is uitgangspunt dat verzoekers en rechthebbende worden gehoord, zo nodig op de verblijfplaats van laatstgenoemde. 3. Het proces-verbaal van het gehoor vermeldt naar aanleiding van de bevindingen van de kantonrechter en, indien aanwezig, de deskundigenverklaring of de kantonrechter van oordeel is dat de rechthebbende toestemming kan geven aan de bewindvoerder voor bepaalde rechtshandelingen die anders slechts met machtiging van de kantonrechter kunnen worden verricht. 4. Is er reden om tijdelijk bewind in te stellen, dan vermeldt de beschikking een einddatum. 5. Ingevolge art. 1:435 lid 3 BW zal de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende inzake de persoon van de te benoemen bewindvoerder in principe worden gevolgd. Afwijking van die voorkeur dient in de beschikking te worden gemotiveerd. Op grond van art. 1:435 lid 4 BW heeft voor het overige steeds een natuurlijk persoon uit de directe familie of omgeving van de rechthebbende de voorkeur bij de benoeming tot bewindvoerder.De voorgestelde bewindvoerder dient hij bij zijn bereidverklaring uitdrukkelijk te vermelden dat hij handelingsbekwaam is, dat de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen niet op hem van toepassing is, dat hij niet in staat van faillissement verkeert en dat geen van zijn goederen onder meerderjarigenbewind is gesteld.6. Op grond van de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende kan ook als bewindvoerder worden benoemd een onafhankelijk natuurlijk persoon of onafhankelijke instelling die zich professioneel met vermogensbeheer bezighoudt. De kantonrechter kan ook ambtshalve een onafhankelijke bewindvoerder benoemen, in welk geval het ontbreken van een geschikte persoon uit de directe familie of omgeving van de rechthebbende dan summierlijk zal moeten blijken. Wanneer een professionele bewindvoerder moet worden benoemd, verdient een bij de Branchevereniging aangesloten persoon of organisatie in de regel de voorkeur. De kantonrechter kan nadere informatie vragen omtrent de geschiktheid of deskundigheid van andere personen of instellingen. 7. Indien meer dan één bewindvoerder wordt benoemd en de kantonrechter gelet op de achtergrond ervan van oordeel is dat zij alleen gezamenlijk hun werkzaamheden kunnen verrichten, dan wordt deze beperking uitdrukkelijk in de beschikking neergelegd. Ook zal de kantonrechter dan moeten bepalen welke kantonrechter toezicht houdt op het gevoerde bewind, waarbij, indien mogelijk, de kantonrechter van de woonplaats van de rechthebbende de voorkeur verdient.8. Indien de instellende kantonrechter het toezicht op het bewind moet overdragen aan een andere kantonlocatie, dan bevat het over te dragen dossier naast een afschrift van de beschikking een kopie van het verzoekschrift en een afschrift van het proces-verbaal van gehoor met eventuele deskundigenverklaring.9. Blijft het toezicht bij de kantonrechter die het bewind heeft ingesteld, dan zal tegelijk met de afgifte van de beschikking waarbij de bewindvoerder is benoemd, aan de bewindvoerder een handleiding worden verstrekt aangaande de uitoefening van het bewind. Wordt het toezicht overgedragen aan een andere kantonlocatie, dan ontvangt de bewindvoerder van de toezichthoudende kantonrechter deze handleiding. In de handleiding zal de wenselijkheid van een regelmatig contact met de rechthebbende zijn opgenomen, ook wanneer het een professionele bewindvoerder betreft. Bij een dergelijke handleiding kunnen ook modellen van een boedelbeschrijving, een periodieke rekening en een eindrekening zijn gevoegd. De secretaris van het Landelijk Overleg Kantonsectorvoorzitters beheert voorbeelden van handleidingen en modellen ten behoeve van de kantonsectoren.ToelichtingVooropgesteld moet worden dat het hier bedoelde bewind de rechthebbende rechten ontneemt, en dat daarvoor goede gronden moeten zijn. Het bewind dient zich dan ook niet verder uit te strekken dan ter bescherming van de rechthebbende nodig is.In voorbereiding is een wetsvoorstel dat er onder meer in voorziet de kantonrechter bevoegd te maken inzake uitspreken of opheffen van curatele. Alsdan zal, beter dan nu, kunnen worden bezien welke maatregel proportioneel is (bij voorbeeld in het kader van art. 1:432 lid 3 BW). Overwogen wordt om ook in art. 1:431 en 450 BW het noodzakelijkheidsvereiste aan te scherpen. Voorts wordt overwogen te regelen dat de kantonrechter van de werkelijke woonplaats van de rechthebbende -als hoofdregel- toezicht uitoefent op het gevoerde bewind, dus niet de kantonrechter van de woonplaats die van de bewindvoerder is afgeleid.Het LOK juicht deze wijziging toe, omdat de voordelen evident zijn. Zo heeft de instellende kantonrechter een beter beeld van (de geestestoestand van) de rechthebbende en leidt dit tot minder overdrachtsproblemen (zie hierna), zal deze kantonrechter een beter beeld hebben van de instellingen in de omgeving waar de rechthebbende verblijft en gaan bevoegdheden -ook met het oog op een eventuele mentor- niet uiteenlopen.De professionele bewindvoerders met wie is gesproken zien als belangrijk nadeel dat zij voor sommige cliënten dan met andere kantonrechters en ander beleid van doen krijgen, en vaak ook een grotere afstand moeten overbruggen voor een zitting bij die kantonrechter. Deze nadelen wegen niet op tegen de voordelen. Ten eerste zal helder en uniform beleid (met name ten aanzien van de tarieven) veel pijnpunten wegnemen en de aanbeveling is er nu juist om de aanzet te geven voor zo'n gewenst beleid. Ten tweede is het met het oog op de kosten voor alle partijen voordeliger om een bewindvoerder te hebben die niet te ver van de rechthebbende woont. Indien de relatieve competentiewijziging eerbiedigende werking heeft, kan in de praktijk bezien worden of uitwisseling van dossiers in het belang van rechthebbende zinvol is. In goed overleg tussen de kantonsectoren en professionele bewindvoerders zal tot afspraken hierover gekomen kunnen worden. Voor nieuwe bewinden kunnen bewindvoerders bij aanvaarding van de benoeming rekening houden met te wijzigen regelgeving. Om te toetsen of zich een van de gronden voor onderbewindstelling voordoet als bedoeld in art. 1:431 lid 1 BW, is op zichzelf een deskundigenverklaring niet vereist. Hoewel art. 800 Rv ruimte biedt om het verzoek aanstonds toe te wijzen, beveelt het LOK aan daarvan in beginsel geen gebruik te maken. Tot uitgangspunt wordt genomen dat de kantonrechter de rechthebbende op het verzoek hoort en zich ervan vergewist of, en zo ja in hoeverre, de rechthebbende in staat is om zijn wil te bepalen en zelf zijn belangen te behartigen. Dit is noodzakelijk mede omdat in een aantal gevallen machtiging van de kantonrechter niet is vereist, indien bewindvoerder en rechthebbende op één lijn zitten. Een deskundigenverklaring is nuttig als deze helderheid verschaft over datgene waarvan de kantonrechter zich moet vergewissen, en tevens inzicht biedt in het verwachte verloop van de aandoening of het ziektebeeld. Zo'n verklaring is onvermijdelijk wanneer de rechthebbende zich tegen het verzoek verzet en de kantonrechter niet zelf kan vaststellen dat zich een toewijzingsgrond voordoet. Het LOK streeft ernaar met de KNMG te komen tot een modelverklaring.Zolang de dossiers door de instellende kantonrechter nog verstuurd worden naar de kantonrechter van de woonplaats van de bewindvoerder, is het, gelet op het voorgaande, noodzakelijk dat de toezichthoudende kantonrechter de hiervoor bedoelde informatie verkrijgt. Omdat dit niet in de beschikking zelf kan worden opgenomen (die immers door de bewindvoerder aan derden zal worden getoond), zal dit in een (kort) proces-verbaal van het horen van rechthebbende moeten worden neergelegd. De toezichthoudende kantonrechter dient in de optiek van het LOK ook te beschikken over een kopie van het verzoekschrift, waarin bij voorbeeld de namen van de direct belanghebbenden staan. Bij het horen van verzoekers en rechthebbende kan blijken dat de omvang van het bewind beperkt kan blijven tot een of meer goederen. Als de aanleiding voor het verzoek bij voorbeeld de noodzakelijke verkoop van de echtelijke woning is en bewind wordt gevraagd omdat de ene partner aan dementie lijdt, dan kan een bewind over alle goederen om verschillende redenen te ver gaan. Men denke aan de gemeenschap van goederen en de omvang van de rekening- en verantwoordingsplicht. In dit voorbeeld kan bewind wellicht beperkt worden tot het aandeel van rechthebbende in de woning en zijn aandeel in de opbrengst van het huis.De kantonrechter kan ook ambtshalve ingrijpen in bestaande bewinden, die meer omvatten dan noodzakelijk is, via art. 1:433 lid 2 BW. Wanneer een tijdelijk bewind wordt ingesteld, beveelt het LOK aan om -mede met het oog op belangen van derden- een duidelijke einddatum in de beschikking op te nemen. Mocht het doel dan nog niet zijn bereikt, dan zal opnieuw bewind moeten worden aangevraagd. Van de bewindvoerder en, zo daarvan sprake is, ook de mentor mag worden verlangd dat hij de kantonrechter informeert wanneer de maatregel kan worden opgeheven of wanneer, in afwijking van de situatie bij aanvang van het bewind, twijfel rijst over de wilsbekwaamheid van de rechthebbende.De kantonrechter zal zich, met het oog op het hierboven geschetste proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel, overigens bij ieder dossier met regelmaat moeten afvragen of voortzetting van bewind nog nodig is. De hiervoor bedoelde informatieplicht draagt daar aan bij. Wanneer twee bewindvoerders worden benoemd, is hoofdregel dat zij ieder voor zich de bewindswerkzaamheden alleen kunnen verrichten (art. 1:437 lid 2 BW). Wel dienen zij allebei te tekenen voor de juistheid van de boedelbeschrijving en de (eind-) rekening en verantwoording. De kantonrechter kan na overleg met de bewindvoerders in de beschikking bepalen dat zij voor de kantonrechter met één brief bereikbaar zijn op het adres van een van beide. Soms stelt de familie twee bewindvoerders voor om daarmee twee kampen in de familie tevreden te stellen. Indien de kantonrechter dat wenselijk acht en dus niet overgaat tot benoeming van één –onafhankelijke- bewindvoerder (toets is of het in het belang van een goed bewind nodig is, art. 1:437 lid 1 BW), kan er reden zijn om uitdrukkelijk in de beschikking te bepalen dat de bewindvoerders alleen gezamenlijk bevoegd zijn. In de praktijk kunnen zij elkaar dan desgewenst volmacht geven voor bepaalde rechtshandelingen.Indien de bewindvoerders woonachtig zijn in verschillende kantonlocaties, beveelt het LOK aan (na overleg met de betrokkenen) in de beschikking op te nemen welke kantonrechter toezichthouder wordt. Daarbij heeft de voorkeur de kantonrechter van de woonplaats van de rechthebbende, mocht dat tot de mogelijkheden behoren. Wanneer een professionele bewindvoerder moet worden benoemd, verdient een bij de Branchevereniging aangesloten persoon of organisatie in de regel de voorkeur. Daarbij is ervan uitgegaan dat de bij deze Branchevereniging aangesloten leden voor alle medewerkers beschikken over een verklaring van goed gedrag en dat zij ervoor instaan dat de negatieve voorwaarden in art. 1:435 lid 5 niet op hen van toepassing zijn. De toezichthoudende kantonrechter verstrekt zo spoedig mogelijk na ontvangst van het dossier de bedoelde handleiding en modellen aan de bewindvoerder. Het is te verwarrend als de bewindvoerder verschillende richtlijnen of adressen en telefoonnummers e.d. ontvangt.B. Aanbevelingen omtrent de taken van de bewindvoerder1. Zo mogelijk met gebruikmaking van een aan de bewindvoerder afgegeven model zal binnen drie maanden na aanvang van het bewind een door de bewindvoerder ondertekende boedelbeschrijving worden ingediend. Op verzoek van de bewindvoerder kan de kantonrechter verlenging van die termijn toestaan. 2. De bewindvoerder dient direct na benoeming de aanwezige gelden op een bankrekening ten name van de rechthebbende te administreren en wel gescheiden van zijn eigen vermogen. Hij dient ten spoedigste de bankinstellingen in te lichten over het bewind, zonodig eventuele bank- en chippassen van de rechthebbende te laten blokkeren en de afschriften van bankrekeningen naar zijn adres te laten sturen. Wanneer de rechthebbende onroerend goed bezit dat onder het bewind valt, moet de bewindvoerder de beschikking met zijn benoeming in het Kadaster laten inschrijven.3. Indien de rechthebbende voldoende wilsbekwaam is om de rekening en verantwoording op te nemen, wordt jaarlijks rekening en verantwoording aan de rechthebbende afgelegd, waarvoor een model kan worden gebruikt dat door de kantonrechter aan de bewindvoerder beschikbaar is gesteld. Dit document dient door de bewindvoerder en de rechthebbende voor akkoord te worden ondertekend en ingediend te worden bij de kantonrechter.4. Is de rechthebbende niet in staat om de rekening op te nemen, dan stuurt de bewindvoerder de door hem getekende jaarlijkse rekening en verantwoording rechtstreeks ter goedkeuring naar de kantonrechter. De kantonrechter kan een andere frequentie bepalen, met name indien een gering vermogen van de rechthebbende daartoe aanleiding geeft.5. Voor beheershandelingen (het conserveren, normaal exploiteren en doelmatig beleggen van vermogen, waaronder ook valt: het binnen de grenzen van een door de kantonrechter goedgekeurd en hooguit gematigd defensief beleggingsplan wisselen van aandelen en obligaties) ten aanzien van de onder het bewind vallende goederen behoeft de bewindvoerder geen toestemming van de rechthebbende of machtiging van de kantonrechter. 6. De wilsbekwame rechthebbende kan met toestemming van de bewindvoerder beschikkingshandelingen verrichten. Wanneer de bewindvoerder de in art. 1:441 BW genoemde beschikkingshandelingen wil verrichten, behoeft hij toestemming van de wilsbekwame rechthebbende of vervangende machtiging van de kantonrechter. Voor incidentele niet-beheersmatige uitgaven tot € 1000 per jaar behoeft geen machtiging te worden gevraagd, tenzij de kantonrechter anders bepaalt. Onder uitgaven wordt in dit verband uitdrukkelijk niet verstaan: het uitlenen of schenken van geld.7. Indien de kantonrechter bij het instellen van het bewind de rechthebbende (in enige mate) wilsbekwaam heeft geacht, dient de bewindvoerder de kantonrechter met bekwame spoed te informeren zodra hij reden heeft om te betwijfelen dat de rechthebbende nog in die mate wilsbekwaamheid is. 8. Van het overlijden van de rechthebbende dient de bewindvoerder zo spoedig mogelijk de kantonrechter in kennis te stellen.9. Aan het eind van het bewind dient eindrekening en verantwoording te worden afgelegd op de wijze als onder B 3 en B 4 voorzien. Indien het bewind eindigt doordat de rechthebbende is overleden, dient de eindrekening en verantwoording te worden voorgelegd aan de erfgenamen of aan de executeur-testamentair die is belast met het beheer over de nalatenschap. Indien blijkt van bezwaar van een of meer erven, of van de executeur-testamentair, tegen de eindrekening en verantwoording, dan kan de kantonrechter deze erfgenamen of executeur-testamentair een termijn stellen om schriftelijk concrete bezwaren in te dienen. Zo nodig zal daarna een zitting worden bepaald; alsdan kan getracht worden de kwestie in der minne te regelen.Indien geen reactie volgt op het verzoek om schriftelijk van bezwaren te doen blijken, zal de bewindvoerder na controle en goedkeuring van de eindrekening door de kantonrechter van zijn taak gekweten worden. Hiervan wordt door de kantonrechter bij aangetekende brief aan de weigerachtige erfgenamen of executeur mededeling gedaan, waarbij erop wordt gewezen dat de geadresseerde, ondanks daartoe behoorlijk in de gelegenheid te zijn gesteld, niet van zijn bezwaren heeft doen blijken. 10. Indien de bewindvoerder niet reageert op (herhaalde) verzoeken van de kantonrechter, van welke aard dan ook, dan volgt oproeping van de bewindvoerder voor verhoor en eventueel ontslag van de bewindvoerder.11. De hiervoor genoemde verplichtingen van de bewindvoerder rusten, indien meer dan een bewindvoerder is benoemd, op beide bewindvoerders.ToelichtingDe eerste taak van de bewindvoerder is inventariseren van de boedel voor zover die onder het bewind valt, daarvan een boedelbeschrijving opmaken en het zoveel mogelijk voorkomen dat vermogensbestanddelen aan zijn bewindvoering worden onttrokken.Met het oog op dat laatste aspect dient de bewindvoerder de bankinstellingen in te lichten over het bewind, zonodig eventuele bank- en chippassen van de rechthebbende te laten blokkeren en de afschriften van bankrekeningen naar zijn adres te laten sturen. Art. 1:436 lid 4 BW schrijft voor dat de bewindvoerder een aparte rekening moet openen die hij ter vervulling van zijn taak moet gebruiken; de kantonrechter kan hem daarvan vrijstellen.De commissie is van mening dat die vrijstelling ruimhartig kan worden verleend, indien de rechthebbende al een bankrekening had en die rekening gedurende het bewind gebruikt kan worden. Wanneer de rechthebbende onroerend goed bezit dat onder het bewind valt, moet de bewindvoerder de beschikking met zijn benoeming in het Kadaster laten inschrijven (art. 1:436 lid 3 BW) zodat vanaf dat moment derden niet meer beschermd worden tegen beweerde onbekendheid met het bewind bij onroerend goed-transacties.Voorts is de bewindvoerder met uitsluiting van de rechthebbende belast met beheer (het conserveren, normaal exploiteren en doelmatig beleggen van vermogen) van de onder het bewind vallende goederen. Hiervoor behoeft derhalve nimmer een machtiging te worden gevraagd.Het LOK verstaat hieronder ook: het binnen de grenzen van een door de kantonrechter goedgekeurd en hooguit gematigd defensief beleggingsplan wisselen van aandelen en obligaties. Hiervoor is dus verder geen machtiging vereist. Risicovol beleggen is uitdrukkelijk niet toegestaan.De rechthebbende mag alleen beschikkingshandelingen verrichten (vervreemden of bezwaren van een goed) met medewerking van de bewindvoerder of vervangende machtiging van de kantonrechter. Dit laatste komt in de praktijk nauwelijks voor; veel rechthebbenden zijn ook niet in staat beschikkingshandelingen te verrichten.Voor een aantal met name genoemde handelingen eist art. 1:441 lid 2 BW voorafgaande toestemming van de rechthebbende of, als deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter. Het gaat dan vooral om koop en levering van goederen, die buiten het beheersterrein vallen, het aannemen van een making onder last of voorwaarde (zie hierna onder erfrecht), het lenen of uitlenen van geld en het aangaan van een vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter kan de lijst van handelingen waarvoor voorafgaande machtiging is vereist, in een concreet bewind aanvullen. Op de voet van art. 1:441 lid 2 onder f BW kan de kantonrechter ook beheershandelingen onder het regime van dat van beschikkingshandelingen brengen.Met name bij deze handelingen is het voor de kantonrechter en de bewindvoerder van belang te weten of de rechthebbende zijn wil kan bepalen, waartoe het p-v van gehoor bij instelling diensten bewijst. Indien de rechthebbende toen wilsbekwaam werd geoordeeld, maar de bewindvoerder inmiddels reden heeft daaraan te twijfelen, is het in ieders belang dat hij de kantonrechter daarvan op de hoogte stelt en veiligheidshalve machtiging vraagt.Voor de hiervoor bedoelde handelingen van lid 2 kan de kantonrechter op basis van art. 1:441 lid 3 BW een doorlopende machtiging afgeven, al dan niet onder voorwaarden. Praktijk is dat in vrijwel ieder kanton via de handleiding voor de bewindvoerder een algemene machtiging is verstrekt voor uitgaven tot een bepaald bedrag. Het LOK uniformeert het bedrag voor niet-beheersmatige uitgaven, waarvoor geen machtiging gevraagd hoeft te worden, tot € 1000 per jaar tenzij de kantonrechter anders bepaalt. Onder uitgaven wordt in dit verband uitdrukkelijk niet verstaan: het uitlenen of schenken van geld. Zie voor schenking hierna.De bewindvoerder zal periodiek rekening en verantwoording over het gevoerde bewind moeten afleggen, en aan het einde van het bewind een eindrekening en verantwoording.Bij een wilsbekwame rechthebbende kan dat door het afleggen van rekening en verantwoording aan de rechthebbende, ten overstaan van de kantonrechter (art. 1:445 lid 1 BW); wanneer de rechthebbende niet in staat is de rekening op te nemen gebeurt dat aan de kantonrechter (lid 2). De bewindvoerder kan volstaan met het ter goedkeuring en ondertekening voorleggen van een schriftelijke rekening en verantwoording aan de rechthebbende, die tot het opnemen in staat is, en deze na ondertekening door de bewindvoerder(-s) en rechthebbende ter controle toe te sturen aan de kantonrechter. Weigert de rechthebbende voor akkoord te tekenen, dan zal dit voor de kantonrechter aanleiding zijn voor nader onderzoek.Indien de rechthebbende, in afwijking van de voorafgaande keer, niet meer in staat is de rekening op te nemen, dient de bewindvoerder dat aan de kantonrechter mee te delen.In gevallen waarin de rechthebbende de rekening kan opnemen, wordt vastgehouden aan een jaarlijkse frequentie van de verantwoording. Wanneer de rechthebbende niet in staat is de rekening op te nemen, stuurt de bewindvoerder deze, voorzien van de handtekening van de bewindvoerder(-s), rechtstreeks naar de kantonrechter ter goedkeuring. In beginsel zal ook hier jaarlijks rekening en verantwoording worden gevraagd. De kantonrechter kan aanleiding vinden voor een andere frequentie, bij voorbeeld indien de bewindvoerder directe familie is van de rechthebbende, geen loon vraagt en het gaat om een gering vermogen.Aan het einde van het bewind dient eindrekening en verantwoording te worden afgelegd. Indien het bewind eindigt door opheffing of als de bewindvoerder wordt vervangen door een ander, gaat dat op dezelfde wijze als hiervoor beschreven bij een periodieke rekening en verantwoording.Wanneer het bewind eindigt door overlijden van de rechthebbende, dan zijn, behoudens het geval dat een executeur-testamentair is benoemd die is belast met het beheer over de nalatenschap (zie art. 4:144 lid 1 en 145 lid 2 BW), diens erfgenamen degenen aan wie ten overstaan van de kantonrechter eindrekening en verantwoording moet worden afgelegd. Wie erfgenaam is, blijkt uit een verklaring van erfrecht. Heeft een of meer erven, of de executeur-testamentair, bezwaar tegen de eindrekening en verantwoording, dan kan de kantonrechter deze erfgenamen of executeur een termijn stellen om schriftelijk concrete bezwaren in te dienen. Zo nodig zal daarna een zitting worden bepaald waarbij wordt getracht de kwestie op te lossen. Wanneer binnen de gestelde termijn geen bezwaren worden ingediend, kan de kantonrechter na controle de eindrekening en verantwoording goedkeuren en de weigerachtige erfgenamen of executeur daarvan in kennis stellen. Aanbevolen wordt dit bij aangetekende brief te doen zodat duidelijk is wanneer de verjaringstermijn aanvangt waarbinnen de bewindvoerder alsnog ter verantwoording kan worden geroepen. Het is bewindvoerders niet altijd duidelijk of en zo ja welke taken zij nog hebben na het overlijden van de rechthebbende, afgezien van de eindrekening en verantwoording. Uiteraard dienen zij de kantonrechter van het overlijden op de hoogte te stellen. Het regelen van de uitvaart behoort niet tot de taak van de bewindvoerder, wat niet wegneemt dat hij wellicht als zaakwaarnemer kan optreden. Het is wenselijk in de handleiding voor bewindvoerders korte uitleg te geven over art. 1:448 lid 3 BW. C. Aanbevelingen inzake de beloning van de bewindvoerder1. De jaarlijkse beloning wordt, wanneer de nog bestaande wettelijke norm van 5% van de netto-opbrengst van de vruchten niet voldoet, gesteld op:a. in beginsel niet meer dan € 500 per jaar (€ 375 loon en € 125 ongespecificeerde kosten) voor de niet beroepsmatige bewindvoerder die om een beloning vraagt;b. in beginsel niet meer dan € 745 per jaar (€ 620 loon inclusief BTW en € 125 ongespecificeerde kosten) voor de professionele, niet bij de Branchevereniging aangesloten bewindvoerder;c. een voor het eerst per 1 januari 2005 te indexeren maximumtarief van € 817,50 excl. BTW en eventueel eenmalige intakekosten van maximaal € 327 excl. BTW voor de professionele, bij de Branchevereniging aangesloten bewindvoerder en voor de in deze tarieven begrepen werkzaamheden en kosten. De onder a en b genoemde bedragen kunnen periodiek door het LOK worden aangepast tot een rond bedrag op grond van inflatie.2. Een onder 1a of b bedoelde bewindvoerder kan, zolang de wet niet is gewijzigd, in afwijking van de onder 1 genoemde beloning, aanspraak maken op een eventueel hogere beloning op basis van het 5%-criterium. De kantonrechter kan anders beslissen op basis van art. 1:447 lid 1, laatste zin, BW. Onder het begrip vrucht vallen in ieder geval: de netto-opbrengst van huur- en pachtpenningen, rente van geldsommen en leningen en dividenden. Niet onder het begrip vrucht vallen onder meer: inkomsten (lonen, uitkeringen, pensioenen en lijfrenten), koerswinsten, claims op aandelen en het vrijvallen van obligaties. 3. Een onder 1a of b bedoelde bewindvoerder kan de kosten die in het belang van het bewind gemaakt moeten worden in rekening brengen. Als kosten worden aangemerkt: reiskosten (noodzakelijke autokilometers a € 0,25 per kilometer), telefoonkosten, kosten opmaak rekening en verantwoording, kosten van aan- en verkoop van beleggingen en, wanneer het geen eenvoudige financiële huishouding betreft, kosten van een boekhouder en van het opmaken van belastingaangifte. Jaarlijks zal daarbij een bedrag van € 125 niet nader behoeven te worden gespecificeerd. Wordt meer dan € 125 gevraagd, dan is een deugdelijke specificatie vereist. Aangeraden wordt vooraf goedkeuring aan de kantonrechter te vragen voor het maken van hogere kosten dan € 125. Wanneer van steeds terugkerende kosten sprake is, kan een doorlopende machtiging worden gevraagd. 4.Zijn er, in het belang van een goed bewind, twee bewindvoerders benoemd en wordt aanspraak gemaakt op een beloning, dan komt aan de bewindvoerders in beginsel ieder de helft van de onder C 1 bedoelde beloning toe, tenzij zij zelf een andere verdeling hebben afgesproken. Bij geschil beslist de kantonrechter.
5. Indien een professionele bewindvoerder, zoals bedoeld onder 1b of c, een eindrekening en - verantwoording moet opmaken per een andere datum dan 1 januari of 31 december van enig kalenderjaar, dan mag hij voor daaraan verbonden extra werk en kosten een forfaitair tarief van € 150,-- (incl. BTW voor de niet bij de branchevereniging aangesloten professionele bewindvoerder en excl. BTW voor de wèl aangesloten bewindvoerder) in rekening brengen. Deze regeling geldt niet bij verwijtbaar ontslag van de bewindvoerder. De bewindvoerder die aan dit forfaitaire bedrag aanmerkelijk tekort komt, kan een gemotiveerd verzoek indienen voor een hogere vergoeding.ToelichtingHet LOK is voorstander van afschaffing van het 5%-criterium bij beloning voor curatoren en bewindvoerders (art. 1:447 BW) om de inmiddels welbekende reden: er is geen redelijk verband tussen dit criterium en de benodigde inspanning van de bewindvoerder of curator, zoals de Hoge Raad reeds in 1988 overwoog.Het ontbreken van dit verband heeft enkele jaren terug al geleid tot de vorige aanbeveling over de minimaal redelijk geachte beloning. Helaas ontbrak in dit systeem een mechanisme waardoor kon worden gekomen tot de, ook zeer wenselijke, landelijke uniformiteit.Het LOK ziet geen reden tot aanpassing van de beloning voor niet-professionele bewindvoerders. Deze beloning kan worden gefixeerd op een, ongeïndexeerd maar wellicht eens per 5 jaar op een rond bedrag voor inflatie gecorrigeerd, bedrag van € 375 exclusief kosten en € 500 inclusief ongespecificeerde kosten. Of en zo ja in hoeverre op verzoek van een niet-professionele bewindvoerder een hoger bedrag kan worden toegekend, hangt af van een aantal factoren. Zo kan een vergelijking worden gemaakt met het takenpakket, de verwachte deskundigheid en waarborgen van professionele bewindvoerders, die zijn aangesloten bij de Branchevereniging en de maximumbeloning kunnen vragen, de hoeveelheid werk van de bewindvoerder en de draagkracht van rechthebbende. Het LOK meent dat in beginsel het hiervoor genoemde (onder de vorige aanbeveling als minimum aanvaarde) bedrag voldoende moet zijn, te meer omdat het hier niet om broodwinning van de bewindvoerder gaat.Na toetsing op draagvlak bij professionele bewindvoerders, die gaan deelnemen aan een brancheorganisatie en daarmee extra waarborg bieden, is gekomen tot een systeem waarbij de beloning wordt gemaximeerd en de daarvoor te verrichten werkzaamheden nauwkeurig zijn omschreven. Alleen voor werkzaamheden die daarbuiten vallen kan, met voorafgaande machtiging van de toezichthoudende kantonrechter, tegen een eveneens vastgesteld maximumuurtarief worden gedeclareerd. Voorzien is in jaarlijkse indexering per 1 januari, voor het eerst in 2005. Het staat de hier bedoelde professionele bewindvoerders uiteraard vrij om voor een of meer cliënten een lager bedrag in rekening te brengen. Op zichzelf gaat het systeem uit van de solidariteitsgedachte van een 'onderlinge': de eenvoudige bewinden dragen mede de lasten van ingewikkelder bewinden. De met deze bewindvoerders gemaakte afspraken worden periodiek, voor het eerst eind 2004, met de brancheorganisatie geëvalueerd. Voor de tussencategorie, te weten professionele bewindvoerders die niet bij de Branchevereniging zijn aangesloten, wordt geadviseerd in lopende bewinden vooralsnog het (onder de vorige aanbeveling als minimum aanvaarde) tarief voor professionele bewindvoerders tot uitgangspunt te nemen (te weten € 745 per jaar, ofwel € 620 loon inclusief BTW plus € 125 ongespecificeerde kosten), en –tenzij de wet zich daartegen verzet- eventueel hoger loon in de toekomst terug te brengen en vast te stellen met inachtneming van het feit dat voor professionele, bij de Branchevereniging aangesloten bewindvoerders een maximumtarief geldt. Voor nieuwe bewinden kan dit uiteraard bij aanvang van het bewind reeds worden bepaald.In het kort:
a. de niet beroepsmatige bewindvoerder: in beginsel niet meer dan € 500 per jaar (€ 375 loon en € 125 ongespecificeerde kosten).b. de professionele, niet bij Branchevereniging aangesloten bewindvoerder:in beginsel niet meer dan € 745 per jaar (€ 620 loon incl. BTW en € 125 ongespecificeerde kosten). c. de professionele en bij Branchevereniging aangesloten bewindvoerder:een uniform jaartarief per 1 januari 2004 van € 817,50 excl. BTW op basis van gemiddeld 15 uur per jaar en eenmalige intakekosten van 6 x het uurloon van € 54,50 ofwel € 327 excl. BTW (bewindvoerders mogen uiteraard minder declareren). Het uurloon van € 54,50 wordt ieder jaar en voor het eerst per 1 januari 2005 automatisch verhoogd met het door de minister van Justitie vast te stellen percentage “voor de bijdrage in de kosten van de arbeidsvoorwaardenontwikkelingen aan niet VWS-gebonden gepremieerde en gesubsidieerde sectoren”, afgerond op de naastliggende veelvoud van € 0,50.In de volgende lijst zijn de werkzaamheden opgesomd die wel en niet zijn begrepen in het sub c. genoemde tarief:Tot de werkzaamheden van de intake behoren:aanvragen bewind en zo nodig mee naar zitting, m.u.v. griffierecht in kaart brengen samenstelling vermogen, inkomsten, uitgaven, schulden en vorderingen beschrijven boedel alle reguliere werkzaamheden i.v.m. inkomen/werkzaamheden cliënt, zoals aanvragen uitkering en huursubsidie en regelen van bankzaken; zo nodig wijzigen samenstelling vermogen aanvragen PGB eventueel met oog op verhuizing in overleg met rechthebbende en/of familie verkoop woning/inboedel. Niet tot de gewone intake werkzaamheden behoren:ontruiming van de woning regelen van zeer problematische schulden meegaan naar Wsnp-zitting of naar het UWV/GAK, bij gebreke van een toevoeging voor rechtsbijstand, het doen van aangifte wegens inbraak of mishandeling (soms gaat cliënt niet als bewindvoerder niet meegaat). Tot de gewone werkzaamheden tijdens het bewind behoren: het regelen van de financiële huishouding, inclusief belastingaangifte box 1, kwijtschelding verzoeken van heffingen, aanvragen (bijzondere) bijstand en huursubsidie andere reguliere handelingen m.b.t. onder bewind gestelde goederen regelmatig contact met rechthebbende; binnen redelijke grenzen spreekuurcontact in beperkte mate naar zitting kantonrechter doen van rekening en verantwoording; voor extra werk bij tussentijdse eindrekening geldt sinds 1 mei 2008 een forfaitair tarief van € 150,--.Niet tot de gewone werkzaamheden behoren: bewind bij ondernemersactiviteiten van rechthebbende hulp bij ingewikkelde nalatenschap waarin rechthebbende gerechtigd is problematische schuldsanering latere verkoop van onroerend goed of aandelen ontruiming van de woning aangifte box 2 of 3 frequent naar zitting kantonrechter, vooral als de afstand groot is. Kosten die rechthebbende ook zonder bewind had moeten maken blijven voor zijn rekening, zoals kosten van de bankrekening (pasjes), leges e.d. Beheer van PGB-gelden drukt op de kosten van dit budget zelf. Wanneer bewind wordt uitgesproken over de goederen van een echtpaar/economische eenheid, wordt niet 2 x het tarief gerekend maar het tarief voor 1 persoon met een opslag van 20% (conform Wsnp).Voor extra werkzaamheden, die niet binnen het tarief vallen, dient de bewindvoerder vooraf machtiging te vragen aan de kantonrechter. Deze werkzaamheden worden dan vergoed tegen het uurloon van € 54,50 excl. BTW (peiljaar 2004).
LET OP:
De onder C. 1 sub c vermelde tarieven voor de professionele, bij de Branchevereniging aangesloten, bewindvoerders zijn sinds 2004 geïndexeerd.
De tarieven bedragen:
per 1 januari 2005:
· een jaarvergoeding van maximaal € 832,50 excl. BTW voor de beschreven werkzaamheden;· eenmalige intake maximaal € 333,- excl. BTW· een uurloon van € 55,50 excl. BTW voor vooraf goedgekeurde extra werkzaamheden.
per 1 januari 2006:
geen wijziging ten opzichte van 2005 omdat indexering leidt tot een verhoging van 13 cent per uur; gegeven de afgesproken afronding blijft het tarief daarmee gelijk.
per 1 januari 2007:
· een jaarvergoeding van maximaal € 847,50 excl. BTW voor de beschreven werkzaamheden;· eenmalige intake maximaal € 339,- excl. BTW· een uurloon van € 56,50 excl. BTW voor vooraf goedgekeurde extra werkzaamheden.
per 1 januari 2008:
· een jaarvergoeding van maximaal € 870,00 excl. BTW voor de beschreven werkzaamheden;· eenmalige intake maximaal € 348,- excl. BTW· een uurloon van € 58,00 excl. BTW voor vooraf goedgekeurde extra werkzaamheden.
LET OP:De onder C. 1 sub a en b vermelde tarieven worden sinds 2008 geïndexeerd.
Het onder C. 1 sub a vermelde tarief voor de niet-professionele bewindvoerder bedraagt
per 1 januari 2008: een jaarvergoeding van maximaal € 515,00 ( € 380,00 loon en € 135,00 ongespecificeerde kosten).
Het onder C. 1 sub b vermelde tarief voor de niet bij de Branchevereniging aangesloten professionele bewindvoerder bedraagt
per 1 januari 2008: een jaarvergoeding van maximaal € 765,00 inclusief BTW ( € 630,00 loon en € 135,00 ongespecificeerde kosten, alles inclusief BTW).
D. Aanbevelingen omtrent schenking1. Een door de bewindvoerder ingediend verzoek om te worden gemachtigd tot het doen van een schenking namens een rechthebbende die zijn wil niet kan bepalen, zal als hoofdregel worden afgewezen indien er geen schenkingstraditie wordt aangetoond. 2. In bijzondere, door de bewindvoerder aan te voeren, omstandigheden kan van de hoofdregel worden afgeweken indien het belang van de rechthebbende dat vereist, dan wel indien de schenking de leefomgeving van de rechthebbende verbetert. 3. In beginsel wordt schenking, ook als er sprake is van een schenkingstraditie, niet toegestaan wanneer de rechthebbende: a. jonger is dan 65 jaar, voor zover het liquide vermogen onder € 40.000 komt; b. ouder is dan 65 jaar, voor zover het liquide vermogen minder wordt dan € 20.000. Van deze grenzen kan worden afgeweken indien de kantonrechter van oordeel is dat daarmee de toekomstige verzorging van rechthebbende geen gevaar loopt. Daarbij wordt gelet op enerzijds de verwachte inkomsten en anderzijds het behoeftepatroon van rechthebbende, waaronder kosten van levensonderhoud, recreatie, bewindvoering, bijdragen in gezondheidszorg en hulpmiddelen, reserves voor toekomstige verhuizing en herinrichting. Toelichting Vooropgesteld moet worden dat schenken een beschikkingsdaad is, en dus geen gewone beheersdaad waartoe de bewindvoerder met uitsluiting van de rechthebbende bevoegd is (art. 1:438 lid 1). Het veelgehoorde argument dat schenking een daad van goed vermogensbeheer is omdat de begiftigden zich successierecht besparen, behoort voor de kantonrechter geen goed argument te zijn omdat hij moet toezien op de belangen van de rechthebbende en niet die van mensen die zich diens erfgenaam wanen. Beschikken mag de rechthebbende zelf met medewerking van de bewindvoerder of, als die bewindvoerder weigert, met vervangende machtiging van de kantonrechter (art. 1:438 lid 2). Hier gaat het dus om een door de rechthebbende gewenste schenking. Het standaardverzoek tot machtiging voor schenkingen is echter afkomstig van de bewindvoerder, terwijl de rechthebbende niet meer in staat is zijn wil te bepalen. Soms kan die wil worden afgeleid uit aangetoonde repeterende handelingen van de rechthebbende voorafgaand aan instelling van het bewind (jaarlijkse donaties aan bepaalde goede doelen; periodieke gift aan kinderen van groter omvang dan regulier verjaarscadeau). Er is dan, behoudens het geval dat sprake is van zodanig afgenomen vermogen dat voortzetting van die traditie de toekomstige verzorging van rechthebbende in gevaar brengt, geen reden om van dit gebruik af te wijken. Daarbij dient wel te worden vastgesteld of er op basis van die gebleken traditie een inbrengverplichting is zoals bedoeld in art. 4:229 BW. De wil van rechthebbende kan ook niet met voldoende zekerheid worden afgeleid uit een kopie van een testament dat in de kast gevonden wordt. De uiterste wil kan immers gewijzigd zijn en of dat zo is, is voor overlijden van rechthebbende door niemand te controleren, ook niet door notarissen. De gevaren van het toestaan van schenkingen, zeker wanneer geen sprake is van een aantoonbare schenkingstraditie, zullen zich vooral na overlijden van de rechthebbende openbaren. Misschien is er geen testament, maar heeft de rechthebbende meer kinderen dan bij instellen bewind of het verzoek tot machtiging zijn vermeld. Of blijken er kinderen in de nalatenschap gerechtigd uit een eerder, bij instelling van het bewind of bij een verzoek te machtigen tot schenking, verzwegen huwelijk van rechthebbende of diens vooroverleden partner. Of er is wel een testament waarbij een of meer kinderen zijn onterfd, waarbij het te verkopen huis of de waarde daarvan is gelegateerd aan een derde, etc. Deze risico's moeten worden afgewogen tegen de zekerheid dat ieder na overlijden van de rechthebbende zijn rechtmatige (belaste) deel krijgt. Voor het nemen van enig risico in het belang van rechthebbende kan bij voorbeeld alle reden zijn indien er een financiële constructie nodig is om de rechthebbende langdurig in eigen huis door een of meer kinderen te laten verzorgen. Ook zonder zo'n constructie zouden verzorgende kinderen overigens een aanspraak hebben op de nalatenschap, zie art. 4:36 BW. Voorts is voorstelbaar dat een verzoek tot schenking aan bij voorbeeld de noodlijdende kinderboerderij, waar rechthebbende graag vertoeft, in het belang van rechthebbende wordt geoordeeld.Het LOK is van mening dat heldere beleidslijnen gewenst zijn, waarbij de hoofdregel duidelijk maakt dat een verzoek tot machtiging voor een schenking niet vanzelfsprekend gehonoreerd wordt, en de uitzondering voldoende ruimte geeft aan de kantonrechter om maatwerk te leveren. In diezelfde geest wordt in de aanbeveling een bodembedrag (een schenkingsvrije voet) neergelegd in plaats van een open norm. Gekozen is voor een leeftijdsafhankelijk normbedrag, waarvan kan worden afgeweken indien het behoeftenpatroon, waaronder kosten van verhuizing en herinrichting, eigen bijdragen in gezondheidszorg en hulpmiddelen, kosten van levensonderhoud, recreatie en bij voorbeeld van bewind, naar verwachting aanmerkelijk meer of minder uitgaven vereist.
Aanvulling:
Een verzoek tot het vervroegd uitkeren van ‘kindsdelen’ (vastgestelde geldvorderingen van kinderen op de langstlevende ouder in het kader van ouderlijke boedelverdeling of bij wettelijke verdeling) wordt niet geheel gelijk gesteld met een verzoek tot schenking. Het gaat hier om echte aanspraken die slechts opeisbaarheidsbeperkingen hebben en ‘achtergesteld’ zijn met het oog op de, door de erflater of de wetgever gevoelde, verzorgingsbehoefte van de langstlevende die op deze aanspraken mag interen.
In vervroeging van het moment van opeisbaarheid kan wel een bevoordeling gezien worden. Als de verzorgingsbehoefte geen gevaar loopt (waarbij de vermogensgrenzen in de schenkingsaanbeveling als indicatie kunnen gelden) en geen intering is te voorzien, is denkbaar dat bij een dergelijk verzoek kan worden afgeweken van de hoofdregel ‘nee, tenzij schenkingstraditie’, hoewel rechthebbende bij dit verzoek geen belang heeft.
E. Aanbevelingen met betrekking tot erfrecht1. De bewindvoerder die kennis krijgt van het overlijden van de partner van rechthebbende dan wel van een familielid van de rechthebbende in de eerste of tweede graad, dient hiervan zo spoedig mogelijk de toezichthoudende kantonrechter op de hoogte te stellen, onder vermelding van de naam en standplaats van de eventueel ingeschakelde notaris. 2. Indien de rechthebbende erfgenaam is en in staat is zijn wil te bepalen, mag de bewindvoerder:a. met toestemming van de rechthebbende de erfenis zuiver aanvaarden dan wel een making of gift aannemen waaraan een last of voorwaarde is verbonden;b. niet zonder machtiging van de toezichthoudende kantonrechter de erfenis verwerpen. De kantonrechter vergewist zich van het standpunt van de rechthebbende die in staat is zijn wil te bepalen alvorens op het verzoek wordt beslist. 3. Indien de rechthebbende erfgenaam is en niet in staat is zijn wil te bepalen, wordt van de bewindvoerder verlangd dat hij zich zo spoedig mogelijk op de hoogte stelt van de omvang van de nalatenschap en, wanneer deze negatief is, machtiging tot verwerping verzoekt, tenzij er goede redenen zijn om ook een negatieve nalatenschap beneficiair te aanvaarden. Wanneer onvoldoende duidelijk is dat het saldo van de de nalatenschap negatief is, dient de bewindvoerder beneficiair te aanvaarden en, zo mogelijk na overleg met de bij de boedel betrokken notaris of de boedelnotaris, deze beneficiaire aanvaarding in te laten schrijven in het boedelregister ter griffie van de rechtbank van de laatste woonplaats van de overledene. De bewindvoerder die machtiging voor verwerping van de nalatenschap of voor aanvaarding van een erfstelling of legaat onder last of voorwaarde behoeft, verzoekt daar zo spoedig mogelijk om bij de toezichthoudende kantonrechter, onder toevoeging van stukken waaruit de reden voor verwerping blijkt, dan wel een kopie van het testament waarin de last of voorwaarde is neergelegd.4. Voor de verdeling van de nalatenschap behoeft de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende of, als deze daartoe niet in staat is, machtiging van de toezichthoudende kantonrechter. De conceptakte van verdeling dient ter goedkeuring aan de toezichthoudende kantonrechter te worden voorgelegd. Toelichting Indien de rechthebbende erfgenaam is en de opengevallen nalatenschap onder het bewind zal vallen (het bewind van art. 1:431 BW moet dan de toekomstige goederen van rechthebbende omvatten), dient de bewindvoerder de erfenis volgens de hoofdregel van art. 1:441 lid 5 BW beneficiair te aanvaarden, maar hij mag op grond van de tweede zin van dit artikellid zuiver aanvaarden indien de rechthebbende wilsbekwaam is en toestemt in zuivere aanvaarding.Voor verwerping lijkt op grond van art. 4:193 lid 1 BW steeds een machtiging van de kantonrechter nodig, ook al is de rechthebbende wilsbekwaam. Het LOK is van mening dat de kantonrechter zich moet vergewissen van het standpunt van de wilsbekwame rechthebbende bij een verzoek van de bewindvoerder hem te machtigen tot verwerping. Omdat beneficiaire aanvaarding tot gevolg heeft, dat in het kader van vereffening van de nalatenschap aan allerlei extra formaliteiten moet worden voldaan, is het zinvol dat de bewindvoerder zich zo spoedig mogelijk op de hoogte stelt van de omvang van de nalatenschap en machtiging tot verwerping vraagt indien het saldo negatief is. Dit kan uiteraard anders zijn indien de rechthebbende bij voorbeeld om emotionele redenen wil meedelen in de schulden van erflater. Voor het machtigingsverzoek wordt geen griffierecht geheven. Wanneer de nalatenschap beneficiair wordt aanvaard of -met machtiging van de kantonrechter- wordt verworpen, dient de bewindvoerder deze verklaring ingevolge art. 4:193 lid 1 BW in beginsel binnen drie maanden af te leggen. Hiervoor is aantekening in het boedelregister vereist en overlegging van de machtiging tot verwerping. Het boedelregister bevindt zich bij de rechtbank van de laatste woonplaats van de erflater; voor inschrijving is griffierecht verschuldigd. De termijn van drie maanden gaat lopen vanaf het moment waarop de rechthebbende de positie van erfgenaam inneemt; bij plaatsvervulling kan dat zijn vanaf het moment waarop degene wiens plaats vervuld wordt tot verwerping is overgegaan. De termijn van drie maanden kan worden verlengd door de kantonrechter van de laatste woonplaats overledene (zie art. 4:193 lid 1 slot jo. art. 4:192 lid 2 BW). Tenslotte bepaalt art. 1:441 lid 2 aanhef en onder b BW dat de bewindvoerder met toestemming van de rechthebbende of anders met machtiging van de kantonrechter een erfstelling of legaat onder last of voorwaarde mag aannemen. Ten aanzien van de verdeling van de nalatenschap zijn de artikelen 1:441 lid 4 en art. 3:183 BW van toepassing. Voor het zover komt zal de beneficiair aanvaarde boedel eerst vereffend moeten worden. In de regel zullen andere belanghebbenden dan de bewindvoerder hiervoor initiatief nemen, maar ter vermijding van problemen acht het LOK het van belang dat de toezichthoudende kantonrechter op de hoogte wordt gesteld van overlijden van iemand uit de naaste familieomgeving van de rechthebbende en de mogelijk reeds betrokken notaris. De kantonrechter kan in het belang van rechthebbende nadere informatie van de bewindvoerder verlangen over de afwikkeling van de nalatenschap.F. Aanbevelingen bij samenloop met andere vormen van bewind1. Indien de kantonrechter de beschermingsbewindvoerder benoemt tot testamentair bewindvoerder, dan dient deze het uit de nalatenschap verkregen vermogen zoveel mogelijk gescheiden te houden van het andere vermogen van de rechthebbende en deze gescheiden te administreren. 2. De testamentair bewindvoerder dient rekening en verantwoording af te leggen aan de bewindvoerder en aan anderen in wier belang het testamentair bewind is ingesteld; de bewindvoerder is in het kader van zijn beheerstaak verplicht de rekening op te nemen. Toelichting Het beschermingsbewind van Boek 1 Titel 19 BW vervalt niet wanneer de rechtbank schuldsanering uitspreekt en een bewindvoerder in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) benoemt, die hierna, ter onderscheiding, saneringsbewindvoerder wordt genoemd. De kantonrechter heeft hierin geen taak. De bewindvoerder ondervindt wel gevolgen: de post zal in het vervolg naar de saneringsbewindvoerder gaan en de omvang van het beschermingsbewind zal zich in de praktijk beperken tot het vermogen dat buiten de saneringsboedel valt. Denkbaar is dat de taken van de bewindvoerder gedurende het saneringsbewind zodanig beperkt zijn, dat de frequentie voor rekening en verantwoording aangepast kan worden; niet uitgesloten is dat de taken van de bewindvoerder kunnen worden opgeschort tot beëindiging van het saneringsbewind. Uit de praktijk zijn het LOK geen knelpunten bekend die tot een aanbeveling nopen. Naast beschermingsbewind kan ook sprake zijn van testamentair bewind (anders dan over het vermogen van een minderjarige) als bedoeld in art. 4: 153 e.v. BW. Het gaat dan om goederen die de rechthebbende als erfgenaam of legataris uit een nalatenschap verkrijgt en waarvan de erflater bij testament heeft bepaald dat die goederen onder bewind moeten vallen. Dat bewind vangt in de regel aan op het tijdstip van overlijden van de erflater. Indien de benoeming van de testamentair bewindvoerder niet bij testament is geregeld, benoemt de kantonrechter op verzoek een bewindvoerder (art. 4:157 BW). De goederen die onder testamentair bewind vallen, dienen zoveel mogelijk gescheiden gehouden te worden van het overige vermogen van de rechthebbende, niet alleen omdat de testamentair bewindvoerder het beheer en een rekenplicht heeft over het erfdeel, maar ook omdat er verschillende vormen van testamentair bewind zijn die tot verschillende rechtsgevolgen kunnen leiden (waaronder de verplichting ook rekening en verantwoording af te leggen aan derden). Heeft de kantonrechter (volgens de Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter: van de woonplaats van de rechthebbende) de testamentair bewindvoerder benoemd, dan moet deze kantonrechter een afschrift van de boedelbeschrijving krijgen (art. 4:160 BW). De door de kantonrechter benoemde testamentaire bewindvoerder dient rekening en verantwoording af te leggen op dezelfde wijze als neergelegd in de aanbevelingen B 3 en B 4, maar indien er ook beschermingsbewind is dat zich in beginsel ook over het erfdeel uitstrekt, dan wordt door de testamentair bewindvoerder rekening en verantwoording afgelegd aan de bewindvoerder, die immers belast is met beheer. Zie ook art. 4:161 lid 3 BW. De vruchten van het vermogen dat onder testamentair bewind staat, kunnen ingevolge art. 4:162 BW onder het beschermingsbewind gaan vallen. De wetgever heeft in art. 4:159 BW voor de testamentair bewindvoerder een afwijkend beloningssysteem ingevoerd. Zou de kantonrechter overwegen om de beschermingsbewindvoerder te benoemen tot testamentair bewindvoerder, dan is dat des te meer reden om gescheiden administratie te verlangen. G. Einde bewind, wijziging bewindvoerder of overlijden bewindvoerder 1. Conform het besluit van het LOK van 29 oktober 2001 dient een verzoek tot opheffing van bewind te worden beoordeeld door de toezichthoudende kantonrechter, bij wie bij voorkeur het verzoek moet worden ingediend. De bewindvoerder en de rechthebbende worden op het verzoek gehoord. Zo mogelijk verifieert de kantonrechter of de rechthebbende akkoord gaat met de eindrekening en verantwoording.2. Een verzoek tot wijziging van de bewindvoerder wordt eveneens beoordeeld door de toezichthoudende kantonrechter, bij wie bij voorkeur het verzoek moet worden ingediend. De rechthebbende en de andere belanghebbenden (zie mede het oorspronkelijke verzoekschrift) worden van het verzoek in kennis gesteld en zo nodig gehoord. Bij de opvolgende benoeming gelden wederom de aanbevelingen A 5, 6 en 7. 3. Wanneer er twee bewindvoerders zijn rust op de andere bewindvoerder de verplichting om de toezichthoudende kantonrechter zo spoedig mogelijk in kennis te stellen van het overlijden van de medebewindvoerder. ToelichtingEen verzoek tot opheffing van het bewind dient om praktische redenen te worden beoordeeld door de toezichthoudende kantonrechter, zoals het LOK heeft besloten op 29 oktober 2001. Het komt daarom praktisch voor om aan te bevelen dat zo’n verzoek daar ook moet worden ingediend. Gebeurt dat, in afwachting van de wetswijziging waarbij de competentie voor het toezicht wordt gewijzigd, toch bij de kantonrechter van de woonplaats van de rechthebbende, dan vindt verwijzing plaats. Aanbevolen wordt om de bewindvoerder en de rechthebbende op zitting te horen en daarbij zo mogelijk tevens te controleren of de rechthebbende akkoord gaat met de (concept-) eindrekening en verantwoording. Het bewind eindigt van rechtswege door het verstrijken van de bepaalde tijd waarvoor het bewind is ingesteld, en door overlijden of ondercuratelestelling van de rechthebbende. In de eerste twee gevallen is eindrekening en verantwoording vereist; in het laatste geval behoeft dat alleen indien de curator een ander is dan de oorspronkelijke bewindvoerder. Aanbeveling B 8 verplicht de bewindvoerder om het overlijden van de rechthebbende zo spoedig mogelijk te melden. Een bewindvoerder kan om hem moverende redenen ontslag vragen bij de toezichthoudende kantonrechter. Bij benoeming van een nieuwe bewindvoerder gelden wederom de aanbevelingen A 5, 6 en 7.Wanneer de bewindvoerder overlijdt, bepaalt art. 1:448 lid 3 BW dat diens erfgenamen, als zij van het bewind kennis dragen, verplicht zijn al datgene te doen wat niet zonder nadeel voor de rechthebbende kan worden uitgesteld, totdat een opvolgend bewindvoerder is benoemd. Het komt weinig voor dat overlijden van de bewindvoerder wordt gemeld. Het verdient aanbeveling in de handleiding voor bewindvoerders op te nemen dat zij een of meer mensen uit hun omgeving in kennis stellen van het feit dat zij bewindvoerder zijn, en aan deze mensen te vragen om te toezichthoudende kantonrechter op de hoogte te stellen bij overlijden. Indien er twee bewindvoerders zijn benoemd, wordt van de andere bewindvoerder verlangd dat hij de kantonrechter zo spoedig mogelijk van het overlijden van de medebewindvoerder in kennis stelt.
H. Aanbeveling overgangsrecht bij op 1 mei 2007 lopende bewinden
1. Het toezicht op een op 1 mei 2007 lopende curatele, meerderjarigenbewind of mentorschap wordt ook na die datum gehouden door de kantonrechter die daags voor 1 mei 2007 toezicht hield. Dat is alleen anders als deze kantonrechter het toezicht op of na 1 mei 2007, door middel van een verwijzingsbeschikking, overdraagt aan de kantonrechter van de echte woonplaats van de te beschermen persoon.
2. De onder 1. bedoelde kantonrechter is bevoegd inzake vanaf 1 mei 2007 ingediende verzoeken tot opheffing van een op 1 mei 2007 lopend meerderjarigenbewind of mentorschap, en tot ontslag van de fungerende en benoeming van een nieuwe bewindvoerder of mentor. Ditzelfde geldt voor verzoeken tot uitbreiding of beperking van de goederen die onder het bewind vallen, en alle andere kwesties die het lopende meerderjarigenbewind of mentorschap zelf betreffen.
3. De kantonrechter van de echte woonplaats van de te beschermen persoon is bevoegd in vanaf 1 mei 2007 ingediende verzoeken tot:
opheffing van curatele;
ontslag van de curator;
benoeming van een nieuwe curator in een lopende curatele;
omzetting van een lopende curatele in meerderjarigenbewind en/of mentorschap;
omzetting van een lopend meerderjarigenbewind en/of mentorschap in curatele;
instelling van curatele, meerderjarigenbewind of mentorschap waar die maatregel nog niet bestaat.
4. Indien de kantonrechter van de echte woonplaats van de te beschermen persoon bevoegd is, kan deze zo nodig het beheersdossier in de lopende beschermingsmaatregel opvragen bij de toezichthoudende kantonlocatie. Dat geldt ook voor eventuele connexe dossiers (bij dezelfde te beschermen persoon is dit in de regel het mentorschapdossier, maar ook kan gedacht worden aan een samenhangend dossier van een andere rechthebbende zoals de echtgenoot wiens goederen eveneens onder bewind zijn gesteld). Wordt het toezicht voortgezet door de kantonrechter van de echte woonplaats van de te beschermen persoon en treedt daarbij geen wijziging op in de persoon van degene die is benoemd tot mentor of die verantwoordelijk is voor het (curatele-)bewind, dan dient alsnog een verwijzingsbeschikking door de verzendende locatie worden gemaakt.
5. Verwijzing van op 1 mei 2007 lopende curatelen, meerderjarigenbewinden en mentorschappen naar de kantonrechter van de echte woonplaats van de te beschermen persoon kan in andere gevallen alleen na voorafgaand overleg tussen de betrokken locaties. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:
Echt complexe dossiers (bijvoorbeeld zaken waarover frequent contact tussen kantonrechter en bewindvoerder is, en vooralsnog nodig blijft), blijven in beginsel waar ze zijn.
Indien een bewindvoerder, curator of mentor verhuist naar een kantonlocatie buiten het gebied van de toezichthoudende kantonrechter, is dit een goed moment om alle dossiers te concentreren bij de kantonrechter van de echte woonplaats van rechthebbende. In geen geval mag het dossier meeverhuizen naar een locatie waar rechthebbende niet woont.
In andere gevallen: lopende curateledossiers of zaken waarin alléén bewind of alléén mentorschap is ingesteld, worden in beginsel niet overgedragen wanneer de te beschermen persoon een leeftijd van 75+ heeft. Ratio: hoe korter het toezicht naar verwachting, gelet op de leeftijd, zal duren, des te minder reden is er om een andere kantonrechter nog met de zaak, en de bewindvoerder, curator of mentor met een andere kantonrechter te belasten.
In zaken waarin er zowel bewind als mentorschap is en waarin verschillende kantonlocaties toezicht houden (A en B), is concentratie van toezicht in het algemeen wenselijk. Dit moet dan gebeuren bij de kantonrechter van de echte woonplaats van de te beschermen persoon en dat kan dan in locatie C zijn.
In andere gevallen is uitgangspunt dat de dossiers blijven waar ze zijn, tenzij de curator, bewindvoerder of mentor om verhuizing naar de echte woonplaats van de te beschermen persoon vraagt, of indien de kantonrechter zelf goede redenen voor overdracht heeft, zulks echter alleen na collegiaal overleg met de beoogd ontvangende ambtgenoot. In het laatste geval dienen belangen van de curator, bewindvoerder of mentor meegewogen te worden (bijvoorbeeld beduidend langere reistijd naar de kantonrechter).
Toelichting
Met invoering van de Wet van 22 november 2006, Stb. 2006, 589, die op 1 mei 2007 in werking is getreden, wordt de kantonrechter van de echte woonplaats van rechthebbende de toezichthouder in alle gevallen waarin na die datum een beschermingsmaatregel (curatele, bewind of mentorschap) wordt uitgesproken. De zogeheten “afhankelijke woonplaats” vervalt.
Ter voorkoming van mogelijke onduidelijkheid over het overgangsrecht (artikel VI van die wet) inzake de vraag welke rechter bevoegd is bij voor die datum uitgesproken beschermingsmaatregelen, is bovenstaande aanbeveling vastgesteld.
Voor het gemak van degenen die met de materie te maken krijgen, is aangegeven welke kantonrechter in welke zaak bevoegd is, waarbij in het midden wordt gelaten of dat krachtens art. VI lid 3 is of door onmiddellijke werking.
Art. VI lid 3 voornoemd is geschreven met het oog op het nieuwe art. 1:12 lid 4 BW[1] en regelt de relatieve competentie van de kantonrechter voor het toezicht en beheerswerk in alle voor 1 mei 2007 uitgesproken curatelen, titel 19-bewinden en mentorschappen (hierna: lopende curatelen, meerderjarigenbewinden en mentorschappen)[2].
Art. VI lid 3 ziet niet op gevallen die voor 1 mei 2007 tot de absolute competentie van de rechtbank hoorden: opheffing van een lopende curatele; omzetting van een lopende curatele in bewind en/of mentorschap; omzetting van lopend bewind en/of mentorschap in curatele; een verzoek tot ontslag van de curator en tot benoeming van een nieuwe curator. Voor die verzoeken geldt dat de nieuwe wet onmiddellijke werking heeft. Bevoegd in die gevallen is daarom vanaf 1 mei 2007 de kantonrechter van de echte woonplaats van de rechthebbende/curandus.
Aanbevelingen meerderjarigenbewindVastgesteld door het LOK op 26 april 2004Gepubliceerd op 1 juni 2004Aangevuld op 27 mei 2008
Inleiding
Het LOK (Landelijk Overleg Kantonsectorvoorzitters) heeft in 2003 de Commissie Bewind en Familie ingesteld en deze commissie belast met advisering op die terreinen aan het LOK, mede met het oog op gewenste uniformering in de rechtstoepassing binnen de verschillende sectoren. Aan de hieronder vermelde aanbevelingen met toelichting heeft het LOK op 26 april 2004 zijn goedkeuring gehecht. Deze aanbevelingen strekken landelijk, dus in alle kantonsectoren, tot uitgangspunt waarvan in bijzondere gevallen kan worden afgeweken. Het LOK zal het uitwisselen van ervaringen met deze aanbevelingen tussen de verschillende kantonsectoren stimuleren. Met deze aanbevelingen zijn de vragen die in de bewindpraktijk kunnen rijzen niet uitputtend behandeld.Afgesproken is dat de aanbevelingen periodiek, en voor het eerst binnen twee jaar na inwerkingtreding, geëvalueerd worden en aan de hand van de bevindingen zo nodig worden aangevuld of bijgesteld.De op 7 juni 1999 door het LOK vastgestelde, en per 1 januari 2002 aangepaste, aanbevelingen zijn hiermee per datum van publicatie van deze nieuwe aanbevelingen op 1 juni 2004 vervallen.Vooruitlopend op de goedkeuring van het geheel aan nieuwe aanbevelingen heeft het LOK in 2003 ingestemd met nieuwe beloningsafspraken en het daarbij behorende takenpakket voor professionele, bij de Branchevereniging voor professionele bewindvoerders en inkomensbeheerders (hierna: de Branchevereniging) aangesloten, bewindvoerders. Deze afspraken zijn in werking getreden op 1 januari 2004 en maken thans deel uit van de aanbevelingen onder C.
LET OP:
De onder C. 1 sub c vermelde beloning voor de professionele, bij de Branchevereniging aangesloten, bewindvoerders wordt jaarlijks, en voor het eerst per 1 januari 2005, geïndexeerd aan de hand van de in de toelichting genoemde maatstaf.
Aan het slot van de toelichting op onderdeel C staan de geïndexeerde bedragen vermeld.
Op 10 april 2006 heeft het LOK ingestemd met een aanvulling op de toelichting op onderdeel D. De desbetreffende passage is aan het slot van de toelichting geplaatst en voorzien van de aanduiding “aanvulling”.
Voorts heeft het LOK op 16 april 2007 ingestemd met de aanbeveling plus toelichting omtrent het overgangsrecht voor lopende bewinden. Deze aanbeveling is gemaakt met het oog op inwerkingtreding per 1 mei 2007 van de Wet van 22 november 2006, Stb 2006,589 (Wet herschikking), en heeft een plaats gekregen als onderdeel H.
In december 2007 heeft het LOK besloten gebruik te maken van de mogelijkheid in aanbeveling C 1, laatste zin, om de tarieven voor de niet-professionele bewindvoerders en voor de niet bij de Branchevereniging aangesloten professionele bewindvoerders aan te passen. Dit zal, voor het eerst per 1 januari 2008, jaarlijks gebeuren op basis van de maatstaf die geldt voor bewindvoerders die bij de Branchevereniging zijn aangesloten. Daarbij vindt in de even jaren afronding af naar boven plaats, en in de oneven jaren een afronding naar beneden. Aan het slot van de toelichting op onderdeel C staan nu ook de aldus vastgestelde bedragen vermeld van de onder C .1 sub a en b vermelde beloningen.
Ook heeft het LOK ingestemd met een aanvulling op de aanbeveling over de beloning van professionele bewindvoerders. Vanaf 1 mei 2008 mag voor het opmaken van een eindrekening en -verantwoording per een andere datum dan 31 december of 1 januari van enig jaar, een forfaitair tarief van € 150,-- in rekening worden gebracht. Dit geldt niet bij verwijtbaar ontslag van de bewindvoerder.
A. Aanbevelingen betreffende het instellen van meerderjarigenbewind1. Wanneer in één verzoekschrift instelling van zowel bewind als mentorschap wordt gevraagd, zal één keer vastrecht worden berekend. Datzelfde geldt wanneer in één verzoekschrift bewind ten behoeve van twee echtelieden of daarmee gelijk te stellen partners wordt gevraagd. 2. Ter beoordeling van de noodzaak en de omvang van het bewind is uitgangspunt dat verzoekers en rechthebbende worden gehoord, zo nodig op de verblijfplaats van laatstgenoemde. 3. Het proces-verbaal van het gehoor vermeldt naar aanleiding van de bevindingen van de kantonrechter en, indien aanwezig, de deskundigenverklaring of de kantonrechter van oordeel is dat de rechthebbende toestemming kan geven aan de bewindvoerder voor bepaalde rechtshandelingen die anders slechts met machtiging van de kantonrechter kunnen worden verricht. 4. Is er reden om tijdelijk bewind in te stellen, dan vermeldt de beschikking een einddatum. 5. Ingevolge art. 1:435 lid 3 BW zal de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende inzake de persoon van de te benoemen bewindvoerder in principe worden gevolgd. Afwijking van die voorkeur dient in de beschikking te worden gemotiveerd. Op grond van art. 1:435 lid 4 BW heeft voor het overige steeds een natuurlijk persoon uit de directe familie of omgeving van de rechthebbende de voorkeur bij de benoeming tot bewindvoerder.De voorgestelde bewindvoerder dient hij bij zijn bereidverklaring uitdrukkelijk te vermelden dat hij handelingsbekwaam is, dat de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen niet op hem van toepassing is, dat hij niet in staat van faillissement verkeert en dat geen van zijn goederen onder meerderjarigenbewind is gesteld.6. Op grond van de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende kan ook als bewindvoerder worden benoemd een onafhankelijk natuurlijk persoon of onafhankelijke instelling die zich professioneel met vermogensbeheer bezighoudt. De kantonrechter kan ook ambtshalve een onafhankelijke bewindvoerder benoemen, in welk geval het ontbreken van een geschikte persoon uit de directe familie of omgeving van de rechthebbende dan summierlijk zal moeten blijken. Wanneer een professionele bewindvoerder moet worden benoemd, verdient een bij de Branchevereniging aangesloten persoon of organisatie in de regel de voorkeur. De kantonrechter kan nadere informatie vragen omtrent de geschiktheid of deskundigheid van andere personen of instellingen. 7. Indien meer dan één bewindvoerder wordt benoemd en de kantonrechter gelet op de achtergrond ervan van oordeel is dat zij alleen gezamenlijk hun werkzaamheden kunnen verrichten, dan wordt deze beperking uitdrukkelijk in de beschikking neergelegd. Ook zal de kantonrechter dan moeten bepalen welke kantonrechter toezicht houdt op het gevoerde bewind, waarbij, indien mogelijk, de kantonrechter van de woonplaats van de rechthebbende de voorkeur verdient.8. Indien de instellende kantonrechter het toezicht op het bewind moet overdragen aan een andere kantonlocatie, dan bevat het over te dragen dossier naast een afschrift van de beschikking een kopie van het verzoekschrift en een afschrift van het proces-verbaal van gehoor met eventuele deskundigenverklaring.9. Blijft het toezicht bij de kantonrechter die het bewind heeft ingesteld, dan zal tegelijk met de afgifte van de beschikking waarbij de bewindvoerder is benoemd, aan de bewindvoerder een handleiding worden verstrekt aangaande de uitoefening van het bewind. Wordt het toezicht overgedragen aan een andere kantonlocatie, dan ontvangt de bewindvoerder van de toezichthoudende kantonrechter deze handleiding. In de handleiding zal de wenselijkheid van een regelmatig contact met de rechthebbende zijn opgenomen, ook wanneer het een professionele bewindvoerder betreft. Bij een dergelijke handleiding kunnen ook modellen van een boedelbeschrijving, een periodieke rekening en een eindrekening zijn gevoegd. De secretaris van het Landelijk Overleg Kantonsectorvoorzitters beheert voorbeelden van handleidingen en modellen ten behoeve van de kantonsectoren.ToelichtingVooropgesteld moet worden dat het hier bedoelde bewind de rechthebbende rechten ontneemt, en dat daarvoor goede gronden moeten zijn. Het bewind dient zich dan ook niet verder uit te strekken dan ter bescherming van de rechthebbende nodig is.In voorbereiding is een wetsvoorstel dat er onder meer in voorziet de kantonrechter bevoegd te maken inzake uitspreken of opheffen van curatele. Alsdan zal, beter dan nu, kunnen worden bezien welke maatregel proportioneel is (bij voorbeeld in het kader van art. 1:432 lid 3 BW). Overwogen wordt om ook in art. 1:431 en 450 BW het noodzakelijkheidsvereiste aan te scherpen. Voorts wordt overwogen te regelen dat de kantonrechter van de werkelijke woonplaats van de rechthebbende -als hoofdregel- toezicht uitoefent op het gevoerde bewind, dus niet de kantonrechter van de woonplaats die van de bewindvoerder is afgeleid.Het LOK juicht deze wijziging toe, omdat de voordelen evident zijn. Zo heeft de instellende kantonrechter een beter beeld van (de geestestoestand van) de rechthebbende en leidt dit tot minder overdrachtsproblemen (zie hierna), zal deze kantonrechter een beter beeld hebben van de instellingen in de omgeving waar de rechthebbende verblijft en gaan bevoegdheden -ook met het oog op een eventuele mentor- niet uiteenlopen.De professionele bewindvoerders met wie is gesproken zien als belangrijk nadeel dat zij voor sommige cliënten dan met andere kantonrechters en ander beleid van doen krijgen, en vaak ook een grotere afstand moeten overbruggen voor een zitting bij die kantonrechter. Deze nadelen wegen niet op tegen de voordelen. Ten eerste zal helder en uniform beleid (met name ten aanzien van de tarieven) veel pijnpunten wegnemen en de aanbeveling is er nu juist om de aanzet te geven voor zo'n gewenst beleid. Ten tweede is het met het oog op de kosten voor alle partijen voordeliger om een bewindvoerder te hebben die niet te ver van de rechthebbende woont. Indien de relatieve competentiewijziging eerbiedigende werking heeft, kan in de praktijk bezien worden of uitwisseling van dossiers in het belang van rechthebbende zinvol is. In goed overleg tussen de kantonsectoren en professionele bewindvoerders zal tot afspraken hierover gekomen kunnen worden. Voor nieuwe bewinden kunnen bewindvoerders bij aanvaarding van de benoeming rekening houden met te wijzigen regelgeving. Om te toetsen of zich een van de gronden voor onderbewindstelling voordoet als bedoeld in art. 1:431 lid 1 BW, is op zichzelf een deskundigenverklaring niet vereist. Hoewel art. 800 Rv ruimte biedt om het verzoek aanstonds toe te wijzen, beveelt het LOK aan daarvan in beginsel geen gebruik te maken. Tot uitgangspunt wordt genomen dat de kantonrechter de rechthebbende op het verzoek hoort en zich ervan vergewist of, en zo ja in hoeverre, de rechthebbende in staat is om zijn wil te bepalen en zelf zijn belangen te behartigen. Dit is noodzakelijk mede omdat in een aantal gevallen machtiging van de kantonrechter niet is vereist, indien bewindvoerder en rechthebbende op één lijn zitten. Een deskundigenverklaring is nuttig als deze helderheid verschaft over datgene waarvan de kantonrechter zich moet vergewissen, en tevens inzicht biedt in het verwachte verloop van de aandoening of het ziektebeeld. Zo'n verklaring is onvermijdelijk wanneer de rechthebbende zich tegen het verzoek verzet en de kantonrechter niet zelf kan vaststellen dat zich een toewijzingsgrond voordoet. Het LOK streeft ernaar met de KNMG te komen tot een modelverklaring.Zolang de dossiers door de instellende kantonrechter nog verstuurd worden naar de kantonrechter van de woonplaats van de bewindvoerder, is het, gelet op het voorgaande, noodzakelijk dat de toezichthoudende kantonrechter de hiervoor bedoelde informatie verkrijgt. Omdat dit niet in de beschikking zelf kan worden opgenomen (die immers door de bewindvoerder aan derden zal worden getoond), zal dit in een (kort) proces-verbaal van het horen van rechthebbende moeten worden neergelegd. De toezichthoudende kantonrechter dient in de optiek van het LOK ook te beschikken over een kopie van het verzoekschrift, waarin bij voorbeeld de namen van de direct belanghebbenden staan. Bij het horen van verzoekers en rechthebbende kan blijken dat de omvang van het bewind beperkt kan blijven tot een of meer goederen. Als de aanleiding voor het verzoek bij voorbeeld de noodzakelijke verkoop van de echtelijke woning is en bewind wordt gevraagd omdat de ene partner aan dementie lijdt, dan kan een bewind over alle goederen om verschillende redenen te ver gaan. Men denke aan de gemeenschap van goederen en de omvang van de rekening- en verantwoordingsplicht. In dit voorbeeld kan bewind wellicht beperkt worden tot het aandeel van rechthebbende in de woning en zijn aandeel in de opbrengst van het huis.De kantonrechter kan ook ambtshalve ingrijpen in bestaande bewinden, die meer omvatten dan noodzakelijk is, via art. 1:433 lid 2 BW. Wanneer een tijdelijk bewind wordt ingesteld, beveelt het LOK aan om -mede met het oog op belangen van derden- een duidelijke einddatum in de beschikking op te nemen. Mocht het doel dan nog niet zijn bereikt, dan zal opnieuw bewind moeten worden aangevraagd. Van de bewindvoerder en, zo daarvan sprake is, ook de mentor mag worden verlangd dat hij de kantonrechter informeert wanneer de maatregel kan worden opgeheven of wanneer, in afwijking van de situatie bij aanvang van het bewind, twijfel rijst over de wilsbekwaamheid van de rechthebbende.De kantonrechter zal zich, met het oog op het hierboven geschetste proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel, overigens bij ieder dossier met regelmaat moeten afvragen of voortzetting van bewind nog nodig is. De hiervoor bedoelde informatieplicht draagt daar aan bij. Wanneer twee bewindvoerders worden benoemd, is hoofdregel dat zij ieder voor zich de bewindswerkzaamheden alleen kunnen verrichten (art. 1:437 lid 2 BW). Wel dienen zij allebei te tekenen voor de juistheid van de boedelbeschrijving en de (eind-) rekening en verantwoording. De kantonrechter kan na overleg met de bewindvoerders in de beschikking bepalen dat zij voor de kantonrechter met één brief bereikbaar zijn op het adres van een van beide. Soms stelt de familie twee bewindvoerders voor om daarmee twee kampen in de familie tevreden te stellen. Indien de kantonrechter dat wenselijk acht en dus niet overgaat tot benoeming van één –onafhankelijke- bewindvoerder (toets is of het in het belang van een goed bewind nodig is, art. 1:437 lid 1 BW), kan er reden zijn om uitdrukkelijk in de beschikking te bepalen dat de bewindvoerders alleen gezamenlijk bevoegd zijn. In de praktijk kunnen zij elkaar dan desgewenst volmacht geven voor bepaalde rechtshandelingen.Indien de bewindvoerders woonachtig zijn in verschillende kantonlocaties, beveelt het LOK aan (na overleg met de betrokkenen) in de beschikking op te nemen welke kantonrechter toezichthouder wordt. Daarbij heeft de voorkeur de kantonrechter van de woonplaats van de rechthebbende, mocht dat tot de mogelijkheden behoren. Wanneer een professionele bewindvoerder moet worden benoemd, verdient een bij de Branchevereniging aangesloten persoon of organisatie in de regel de voorkeur. Daarbij is ervan uitgegaan dat de bij deze Branchevereniging aangesloten leden voor alle medewerkers beschikken over een verklaring van goed gedrag en dat zij ervoor instaan dat de negatieve voorwaarden in art. 1:435 lid 5 niet op hen van toepassing zijn. De toezichthoudende kantonrechter verstrekt zo spoedig mogelijk na ontvangst van het dossier de bedoelde handleiding en modellen aan de bewindvoerder. Het is te verwarrend als de bewindvoerder verschillende richtlijnen of adressen en telefoonnummers e.d. ontvangt.B. Aanbevelingen omtrent de taken van de bewindvoerder1. Zo mogelijk met gebruikmaking van een aan de bewindvoerder afgegeven model zal binnen drie maanden na aanvang van het bewind een door de bewindvoerder ondertekende boedelbeschrijving worden ingediend. Op verzoek van de bewindvoerder kan de kantonrechter verlenging van die termijn toestaan. 2. De bewindvoerder dient direct na benoeming de aanwezige gelden op een bankrekening ten name van de rechthebbende te administreren en wel gescheiden van zijn eigen vermogen. Hij dient ten spoedigste de bankinstellingen in te lichten over het bewind, zonodig eventuele bank- en chippassen van de rechthebbende te laten blokkeren en de afschriften van bankrekeningen naar zijn adres te laten sturen. Wanneer de rechthebbende onroerend goed bezit dat onder het bewind valt, moet de bewindvoerder de beschikking met zijn benoeming in het Kadaster laten inschrijven.3. Indien de rechthebbende voldoende wilsbekwaam is om de rekening en verantwoording op te nemen, wordt jaarlijks rekening en verantwoording aan de rechthebbende afgelegd, waarvoor een model kan worden gebruikt dat door de kantonrechter aan de bewindvoerder beschikbaar is gesteld. Dit document dient door de bewindvoerder en de rechthebbende voor akkoord te worden ondertekend en ingediend te worden bij de kantonrechter.4. Is de rechthebbende niet in staat om de rekening op te nemen, dan stuurt de bewindvoerder de door hem getekende jaarlijkse rekening en verantwoording rechtstreeks ter goedkeuring naar de kantonrechter. De kantonrechter kan een andere frequentie bepalen, met name indien een gering vermogen van de rechthebbende daartoe aanleiding geeft.5. Voor beheershandelingen (het conserveren, normaal exploiteren en doelmatig beleggen van vermogen, waaronder ook valt: het binnen de grenzen van een door de kantonrechter goedgekeurd en hooguit gematigd defensief beleggingsplan wisselen van aandelen en obligaties) ten aanzien van de onder het bewind vallende goederen behoeft de bewindvoerder geen toestemming van de rechthebbende of machtiging van de kantonrechter. 6. De wilsbekwame rechthebbende kan met toestemming van de bewindvoerder beschikkingshandelingen verrichten. Wanneer de bewindvoerder de in art. 1:441 BW genoemde beschikkingshandelingen wil verrichten, behoeft hij toestemming van de wilsbekwame rechthebbende of vervangende machtiging van de kantonrechter. Voor incidentele niet-beheersmatige uitgaven tot € 1000 per jaar behoeft geen machtiging te worden gevraagd, tenzij de kantonrechter anders bepaalt. Onder uitgaven wordt in dit verband uitdrukkelijk niet verstaan: het uitlenen of schenken van geld.7. Indien de kantonrechter bij het instellen van het bewind de rechthebbende (in enige mate) wilsbekwaam heeft geacht, dient de bewindvoerder de kantonrechter met bekwame spoed te informeren zodra hij reden heeft om te betwijfelen dat de rechthebbende nog in die mate wilsbekwaamheid is. 8. Van het overlijden van de rechthebbende dient de bewindvoerder zo spoedig mogelijk de kantonrechter in kennis te stellen.9. Aan het eind van het bewind dient eindrekening en verantwoording te worden afgelegd op de wijze als onder B 3 en B 4 voorzien. Indien het bewind eindigt doordat de rechthebbende is overleden, dient de eindrekening en verantwoording te worden voorgelegd aan de erfgenamen of aan de executeur-testamentair die is belast met het beheer over de nalatenschap. Indien blijkt van bezwaar van een of meer erven, of van de executeur-testamentair, tegen de eindrekening en verantwoording, dan kan de kantonrechter deze erfgenamen of executeur-testamentair een termijn stellen om schriftelijk concrete bezwaren in te dienen. Zo nodig zal daarna een zitting worden bepaald; alsdan kan getracht worden de kwestie in der minne te regelen.Indien geen reactie volgt op het verzoek om schriftelijk van bezwaren te doen blijken, zal de bewindvoerder na controle en goedkeuring van de eindrekening door de kantonrechter van zijn taak gekweten worden. Hiervan wordt door de kantonrechter bij aangetekende brief aan de weigerachtige erfgenamen of executeur mededeling gedaan, waarbij erop wordt gewezen dat de geadresseerde, ondanks daartoe behoorlijk in de gelegenheid te zijn gesteld, niet van zijn bezwaren heeft doen blijken. 10. Indien de bewindvoerder niet reageert op (herhaalde) verzoeken van de kantonrechter, van welke aard dan ook, dan volgt oproeping van de bewindvoerder voor verhoor en eventueel ontslag van de bewindvoerder.11. De hiervoor genoemde verplichtingen van de bewindvoerder rusten, indien meer dan een bewindvoerder is benoemd, op beide bewindvoerders.ToelichtingDe eerste taak van de bewindvoerder is inventariseren van de boedel voor zover die onder het bewind valt, daarvan een boedelbeschrijving opmaken en het zoveel mogelijk voorkomen dat vermogensbestanddelen aan zijn bewindvoering worden onttrokken.Met het oog op dat laatste aspect dient de bewindvoerder de bankinstellingen in te lichten over het bewind, zonodig eventuele bank- en chippassen van de rechthebbende te laten blokkeren en de afschriften van bankrekeningen naar zijn adres te laten sturen. Art. 1:436 lid 4 BW schrijft voor dat de bewindvoerder een aparte rekening moet openen die hij ter vervulling van zijn taak moet gebruiken; de kantonrechter kan hem daarvan vrijstellen.De commissie is van mening dat die vrijstelling ruimhartig kan worden verleend, indien de rechthebbende al een bankrekening had en die rekening gedurende het bewind gebruikt kan worden. Wanneer de rechthebbende onroerend goed bezit dat onder het bewind valt, moet de bewindvoerder de beschikking met zijn benoeming in het Kadaster laten inschrijven (art. 1:436 lid 3 BW) zodat vanaf dat moment derden niet meer beschermd worden tegen beweerde onbekendheid met het bewind bij onroerend goed-transacties.Voorts is de bewindvoerder met uitsluiting van de rechthebbende belast met beheer (het conserveren, normaal exploiteren en doelmatig beleggen van vermogen) van de onder het bewind vallende goederen. Hiervoor behoeft derhalve nimmer een machtiging te worden gevraagd.Het LOK verstaat hieronder ook: het binnen de grenzen van een door de kantonrechter goedgekeurd en hooguit gematigd defensief beleggingsplan wisselen van aandelen en obligaties. Hiervoor is dus verder geen machtiging vereist. Risicovol beleggen is uitdrukkelijk niet toegestaan.De rechthebbende mag alleen beschikkingshandelingen verrichten (vervreemden of bezwaren van een goed) met medewerking van de bewindvoerder of vervangende machtiging van de kantonrechter. Dit laatste komt in de praktijk nauwelijks voor; veel rechthebbenden zijn ook niet in staat beschikkingshandelingen te verrichten.Voor een aantal met name genoemde handelingen eist art. 1:441 lid 2 BW voorafgaande toestemming van de rechthebbende of, als deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter. Het gaat dan vooral om koop en levering van goederen, die buiten het beheersterrein vallen, het aannemen van een making onder last of voorwaarde (zie hierna onder erfrecht), het lenen of uitlenen van geld en het aangaan van een vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter kan de lijst van handelingen waarvoor voorafgaande machtiging is vereist, in een concreet bewind aanvullen. Op de voet van art. 1:441 lid 2 onder f BW kan de kantonrechter ook beheershandelingen onder het regime van dat van beschikkingshandelingen brengen.Met name bij deze handelingen is het voor de kantonrechter en de bewindvoerder van belang te weten of de rechthebbende zijn wil kan bepalen, waartoe het p-v van gehoor bij instelling diensten bewijst. Indien de rechthebbende toen wilsbekwaam werd geoordeeld, maar de bewindvoerder inmiddels reden heeft daaraan te twijfelen, is het in ieders belang dat hij de kantonrechter daarvan op de hoogte stelt en veiligheidshalve machtiging vraagt.Voor de hiervoor bedoelde handelingen van lid 2 kan de kantonrechter op basis van art. 1:441 lid 3 BW een doorlopende machtiging afgeven, al dan niet onder voorwaarden. Praktijk is dat in vrijwel ieder kanton via de handleiding voor de bewindvoerder een algemene machtiging is verstrekt voor uitgaven tot een bepaald bedrag. Het LOK uniformeert het bedrag voor niet-beheersmatige uitgaven, waarvoor geen machtiging gevraagd hoeft te worden, tot € 1000 per jaar tenzij de kantonrechter anders bepaalt. Onder uitgaven wordt in dit verband uitdrukkelijk niet verstaan: het uitlenen of schenken van geld. Zie voor schenking hierna.De bewindvoerder zal periodiek rekening en verantwoording over het gevoerde bewind moeten afleggen, en aan het einde van het bewind een eindrekening en verantwoording.Bij een wilsbekwame rechthebbende kan dat door het afleggen van rekening en verantwoording aan de rechthebbende, ten overstaan van de kantonrechter (art. 1:445 lid 1 BW); wanneer de rechthebbende niet in staat is de rekening op te nemen gebeurt dat aan de kantonrechter (lid 2). De bewindvoerder kan volstaan met het ter goedkeuring en ondertekening voorleggen van een schriftelijke rekening en verantwoording aan de rechthebbende, die tot het opnemen in staat is, en deze na ondertekening door de bewindvoerder(-s) en rechthebbende ter controle toe te sturen aan de kantonrechter. Weigert de rechthebbende voor akkoord te tekenen, dan zal dit voor de kantonrechter aanleiding zijn voor nader onderzoek.Indien de rechthebbende, in afwijking van de voorafgaande keer, niet meer in staat is de rekening op te nemen, dient de bewindvoerder dat aan de kantonrechter mee te delen.In gevallen waarin de rechthebbende de rekening kan opnemen, wordt vastgehouden aan een jaarlijkse frequentie van de verantwoording. Wanneer de rechthebbende niet in staat is de rekening op te nemen, stuurt de bewindvoerder deze, voorzien van de handtekening van de bewindvoerder(-s), rechtstreeks naar de kantonrechter ter goedkeuring. In beginsel zal ook hier jaarlijks rekening en verantwoording worden gevraagd. De kantonrechter kan aanleiding vinden voor een andere frequentie, bij voorbeeld indien de bewindvoerder directe familie is van de rechthebbende, geen loon vraagt en het gaat om een gering vermogen.Aan het einde van het bewind dient eindrekening en verantwoording te worden afgelegd. Indien het bewind eindigt door opheffing of als de bewindvoerder wordt vervangen door een ander, gaat dat op dezelfde wijze als hiervoor beschreven bij een periodieke rekening en verantwoording.Wanneer het bewind eindigt door overlijden van de rechthebbende, dan zijn, behoudens het geval dat een executeur-testamentair is benoemd die is belast met het beheer over de nalatenschap (zie art. 4:144 lid 1 en 145 lid 2 BW), diens erfgenamen degenen aan wie ten overstaan van de kantonrechter eindrekening en verantwoording moet worden afgelegd. Wie erfgenaam is, blijkt uit een verklaring van erfrecht. Heeft een of meer erven, of de executeur-testamentair, bezwaar tegen de eindrekening en verantwoording, dan kan de kantonrechter deze erfgenamen of executeur een termijn stellen om schriftelijk concrete bezwaren in te dienen. Zo nodig zal daarna een zitting worden bepaald waarbij wordt getracht de kwestie op te lossen. Wanneer binnen de gestelde termijn geen bezwaren worden ingediend, kan de kantonrechter na controle de eindrekening en verantwoording goedkeuren en de weigerachtige erfgenamen of executeur daarvan in kennis stellen. Aanbevolen wordt dit bij aangetekende brief te doen zodat duidelijk is wanneer de verjaringstermijn aanvangt waarbinnen de bewindvoerder alsnog ter verantwoording kan worden geroepen. Het is bewindvoerders niet altijd duidelijk of en zo ja welke taken zij nog hebben na het overlijden van de rechthebbende, afgezien van de eindrekening en verantwoording. Uiteraard dienen zij de kantonrechter van het overlijden op de hoogte te stellen. Het regelen van de uitvaart behoort niet tot de taak van de bewindvoerder, wat niet wegneemt dat hij wellicht als zaakwaarnemer kan optreden. Het is wenselijk in de handleiding voor bewindvoerders korte uitleg te geven over art. 1:448 lid 3 BW. C. Aanbevelingen inzake de beloning van de bewindvoerder1. De jaarlijkse beloning wordt, wanneer de nog bestaande wettelijke norm van 5% van de netto-opbrengst van de vruchten niet voldoet, gesteld op:a. in beginsel niet meer dan € 500 per jaar (€ 375 loon en € 125 ongespecificeerde kosten) voor de niet beroepsmatige bewindvoerder die om een beloning vraagt;b. in beginsel niet meer dan € 745 per jaar (€ 620 loon inclusief BTW en € 125 ongespecificeerde kosten) voor de professionele, niet bij de Branchevereniging aangesloten bewindvoerder;c. een voor het eerst per 1 januari 2005 te indexeren maximumtarief van € 817,50 excl. BTW en eventueel eenmalige intakekosten van maximaal € 327 excl. BTW voor de professionele, bij de Branchevereniging aangesloten bewindvoerder en voor de in deze tarieven begrepen werkzaamheden en kosten. De onder a en b genoemde bedragen kunnen periodiek door het LOK worden aangepast tot een rond bedrag op grond van inflatie.2. Een onder 1a of b bedoelde bewindvoerder kan, zolang de wet niet is gewijzigd, in afwijking van de onder 1 genoemde beloning, aanspraak maken op een eventueel hogere beloning op basis van het 5%-criterium. De kantonrechter kan anders beslissen op basis van art. 1:447 lid 1, laatste zin, BW. Onder het begrip vrucht vallen in ieder geval: de netto-opbrengst van huur- en pachtpenningen, rente van geldsommen en leningen en dividenden. Niet onder het begrip vrucht vallen onder meer: inkomsten (lonen, uitkeringen, pensioenen en lijfrenten), koerswinsten, claims op aandelen en het vrijvallen van obligaties. 3. Een onder 1a of b bedoelde bewindvoerder kan de kosten die in het belang van het bewind gemaakt moeten worden in rekening brengen. Als kosten worden aangemerkt: reiskosten (noodzakelijke autokilometers a € 0,25 per kilometer), telefoonkosten, kosten opmaak rekening en verantwoording, kosten van aan- en verkoop van beleggingen en, wanneer het geen eenvoudige financiële huishouding betreft, kosten van een boekhouder en van het opmaken van belastingaangifte. Jaarlijks zal daarbij een bedrag van € 125 niet nader behoeven te worden gespecificeerd. Wordt meer dan € 125 gevraagd, dan is een deugdelijke specificatie vereist. Aangeraden wordt vooraf goedkeuring aan de kantonrechter te vragen voor het maken van hogere kosten dan € 125. Wanneer van steeds terugkerende kosten sprake is, kan een doorlopende machtiging worden gevraagd. 4.Zijn er, in het belang van een goed bewind, twee bewindvoerders benoemd en wordt aanspraak gemaakt op een beloning, dan komt aan de bewindvoerders in beginsel ieder de helft van de onder C 1 bedoelde beloning toe, tenzij zij zelf een andere verdeling hebben afgesproken. Bij geschil beslist de kantonrechter.
5. Indien een professionele bewindvoerder, zoals bedoeld onder 1b of c, een eindrekening en - verantwoording moet opmaken per een andere datum dan 1 januari of 31 december van enig kalenderjaar, dan mag hij voor daaraan verbonden extra werk en kosten een forfaitair tarief van € 150,-- (incl. BTW voor de niet bij de branchevereniging aangesloten professionele bewindvoerder en excl. BTW voor de wèl aangesloten bewindvoerder) in rekening brengen. Deze regeling geldt niet bij verwijtbaar ontslag van de bewindvoerder. De bewindvoerder die aan dit forfaitaire bedrag aanmerkelijk tekort komt, kan een gemotiveerd verzoek indienen voor een hogere vergoeding.ToelichtingHet LOK is voorstander van afschaffing van het 5%-criterium bij beloning voor curatoren en bewindvoerders (art. 1:447 BW) om de inmiddels welbekende reden: er is geen redelijk verband tussen dit criterium en de benodigde inspanning van de bewindvoerder of curator, zoals de Hoge Raad reeds in 1988 overwoog.Het ontbreken van dit verband heeft enkele jaren terug al geleid tot de vorige aanbeveling over de minimaal redelijk geachte beloning. Helaas ontbrak in dit systeem een mechanisme waardoor kon worden gekomen tot de, ook zeer wenselijke, landelijke uniformiteit.Het LOK ziet geen reden tot aanpassing van de beloning voor niet-professionele bewindvoerders. Deze beloning kan worden gefixeerd op een, ongeïndexeerd maar wellicht eens per 5 jaar op een rond bedrag voor inflatie gecorrigeerd, bedrag van € 375 exclusief kosten en € 500 inclusief ongespecificeerde kosten. Of en zo ja in hoeverre op verzoek van een niet-professionele bewindvoerder een hoger bedrag kan worden toegekend, hangt af van een aantal factoren. Zo kan een vergelijking worden gemaakt met het takenpakket, de verwachte deskundigheid en waarborgen van professionele bewindvoerders, die zijn aangesloten bij de Branchevereniging en de maximumbeloning kunnen vragen, de hoeveelheid werk van de bewindvoerder en de draagkracht van rechthebbende. Het LOK meent dat in beginsel het hiervoor genoemde (onder de vorige aanbeveling als minimum aanvaarde) bedrag voldoende moet zijn, te meer omdat het hier niet om broodwinning van de bewindvoerder gaat.Na toetsing op draagvlak bij professionele bewindvoerders, die gaan deelnemen aan een brancheorganisatie en daarmee extra waarborg bieden, is gekomen tot een systeem waarbij de beloning wordt gemaximeerd en de daarvoor te verrichten werkzaamheden nauwkeurig zijn omschreven. Alleen voor werkzaamheden die daarbuiten vallen kan, met voorafgaande machtiging van de toezichthoudende kantonrechter, tegen een eveneens vastgesteld maximumuurtarief worden gedeclareerd. Voorzien is in jaarlijkse indexering per 1 januari, voor het eerst in 2005. Het staat de hier bedoelde professionele bewindvoerders uiteraard vrij om voor een of meer cliënten een lager bedrag in rekening te brengen. Op zichzelf gaat het systeem uit van de solidariteitsgedachte van een 'onderlinge': de eenvoudige bewinden dragen mede de lasten van ingewikkelder bewinden. De met deze bewindvoerders gemaakte afspraken worden periodiek, voor het eerst eind 2004, met de brancheorganisatie geëvalueerd. Voor de tussencategorie, te weten professionele bewindvoerders die niet bij de Branchevereniging zijn aangesloten, wordt geadviseerd in lopende bewinden vooralsnog het (onder de vorige aanbeveling als minimum aanvaarde) tarief voor professionele bewindvoerders tot uitgangspunt te nemen (te weten € 745 per jaar, ofwel € 620 loon inclusief BTW plus € 125 ongespecificeerde kosten), en –tenzij de wet zich daartegen verzet- eventueel hoger loon in de toekomst terug te brengen en vast te stellen met inachtneming van het feit dat voor professionele, bij de Branchevereniging aangesloten bewindvoerders een maximumtarief geldt. Voor nieuwe bewinden kan dit uiteraard bij aanvang van het bewind reeds worden bepaald.In het kort:
a. de niet beroepsmatige bewindvoerder: in beginsel niet meer dan € 500 per jaar (€ 375 loon en € 125 ongespecificeerde kosten).b. de professionele, niet bij Branchevereniging aangesloten bewindvoerder:in beginsel niet meer dan € 745 per jaar (€ 620 loon incl. BTW en € 125 ongespecificeerde kosten). c. de professionele en bij Branchevereniging aangesloten bewindvoerder:een uniform jaartarief per 1 januari 2004 van € 817,50 excl. BTW op basis van gemiddeld 15 uur per jaar en eenmalige intakekosten van 6 x het uurloon van € 54,50 ofwel € 327 excl. BTW (bewindvoerders mogen uiteraard minder declareren). Het uurloon van € 54,50 wordt ieder jaar en voor het eerst per 1 januari 2005 automatisch verhoogd met het door de minister van Justitie vast te stellen percentage “voor de bijdrage in de kosten van de arbeidsvoorwaardenontwikkelingen aan niet VWS-gebonden gepremieerde en gesubsidieerde sectoren”, afgerond op de naastliggende veelvoud van € 0,50.In de volgende lijst zijn de werkzaamheden opgesomd die wel en niet zijn begrepen in het sub c. genoemde tarief:Tot de werkzaamheden van de intake behoren:aanvragen bewind en zo nodig mee naar zitting, m.u.v. griffierecht in kaart brengen samenstelling vermogen, inkomsten, uitgaven, schulden en vorderingen beschrijven boedel alle reguliere werkzaamheden i.v.m. inkomen/werkzaamheden cliënt, zoals aanvragen uitkering en huursubsidie en regelen van bankzaken; zo nodig wijzigen samenstelling vermogen aanvragen PGB eventueel met oog op verhuizing in overleg met rechthebbende en/of familie verkoop woning/inboedel. Niet tot de gewone intake werkzaamheden behoren:ontruiming van de woning regelen van zeer problematische schulden meegaan naar Wsnp-zitting of naar het UWV/GAK, bij gebreke van een toevoeging voor rechtsbijstand, het doen van aangifte wegens inbraak of mishandeling (soms gaat cliënt niet als bewindvoerder niet meegaat). Tot de gewone werkzaamheden tijdens het bewind behoren: het regelen van de financiële huishouding, inclusief belastingaangifte box 1, kwijtschelding verzoeken van heffingen, aanvragen (bijzondere) bijstand en huursubsidie andere reguliere handelingen m.b.t. onder bewind gestelde goederen regelmatig contact met rechthebbende; binnen redelijke grenzen spreekuurcontact in beperkte mate naar zitting kantonrechter doen van rekening en verantwoording; voor extra werk bij tussentijdse eindrekening geldt sinds 1 mei 2008 een forfaitair tarief van € 150,--.Niet tot de gewone werkzaamheden behoren: bewind bij ondernemersactiviteiten van rechthebbende hulp bij ingewikkelde nalatenschap waarin rechthebbende gerechtigd is problematische schuldsanering latere verkoop van onroerend goed of aandelen ontruiming van de woning aangifte box 2 of 3 frequent naar zitting kantonrechter, vooral als de afstand groot is. Kosten die rechthebbende ook zonder bewind had moeten maken blijven voor zijn rekening, zoals kosten van de bankrekening (pasjes), leges e.d. Beheer van PGB-gelden drukt op de kosten van dit budget zelf. Wanneer bewind wordt uitgesproken over de goederen van een echtpaar/economische eenheid, wordt niet 2 x het tarief gerekend maar het tarief voor 1 persoon met een opslag van 20% (conform Wsnp).Voor extra werkzaamheden, die niet binnen het tarief vallen, dient de bewindvoerder vooraf machtiging te vragen aan de kantonrechter. Deze werkzaamheden worden dan vergoed tegen het uurloon van € 54,50 excl. BTW (peiljaar 2004).
LET OP:
De onder C. 1 sub c vermelde tarieven voor de professionele, bij de Branchevereniging aangesloten, bewindvoerders zijn sinds 2004 geïndexeerd.
De tarieven bedragen:
per 1 januari 2005:
· een jaarvergoeding van maximaal € 832,50 excl. BTW voor de beschreven werkzaamheden;· eenmalige intake maximaal € 333,- excl. BTW· een uurloon van € 55,50 excl. BTW voor vooraf goedgekeurde extra werkzaamheden.
per 1 januari 2006:
geen wijziging ten opzichte van 2005 omdat indexering leidt tot een verhoging van 13 cent per uur; gegeven de afgesproken afronding blijft het tarief daarmee gelijk.
per 1 januari 2007:
· een jaarvergoeding van maximaal € 847,50 excl. BTW voor de beschreven werkzaamheden;· eenmalige intake maximaal € 339,- excl. BTW· een uurloon van € 56,50 excl. BTW voor vooraf goedgekeurde extra werkzaamheden.
per 1 januari 2008:
· een jaarvergoeding van maximaal € 870,00 excl. BTW voor de beschreven werkzaamheden;· eenmalige intake maximaal € 348,- excl. BTW· een uurloon van € 58,00 excl. BTW voor vooraf goedgekeurde extra werkzaamheden.
LET OP:De onder C. 1 sub a en b vermelde tarieven worden sinds 2008 geïndexeerd.
Het onder C. 1 sub a vermelde tarief voor de niet-professionele bewindvoerder bedraagt
per 1 januari 2008: een jaarvergoeding van maximaal € 515,00 ( € 380,00 loon en € 135,00 ongespecificeerde kosten).
Het onder C. 1 sub b vermelde tarief voor de niet bij de Branchevereniging aangesloten professionele bewindvoerder bedraagt
per 1 januari 2008: een jaarvergoeding van maximaal € 765,00 inclusief BTW ( € 630,00 loon en € 135,00 ongespecificeerde kosten, alles inclusief BTW).
D. Aanbevelingen omtrent schenking1. Een door de bewindvoerder ingediend verzoek om te worden gemachtigd tot het doen van een schenking namens een rechthebbende die zijn wil niet kan bepalen, zal als hoofdregel worden afgewezen indien er geen schenkingstraditie wordt aangetoond. 2. In bijzondere, door de bewindvoerder aan te voeren, omstandigheden kan van de hoofdregel worden afgeweken indien het belang van de rechthebbende dat vereist, dan wel indien de schenking de leefomgeving van de rechthebbende verbetert. 3. In beginsel wordt schenking, ook als er sprake is van een schenkingstraditie, niet toegestaan wanneer de rechthebbende: a. jonger is dan 65 jaar, voor zover het liquide vermogen onder € 40.000 komt; b. ouder is dan 65 jaar, voor zover het liquide vermogen minder wordt dan € 20.000. Van deze grenzen kan worden afgeweken indien de kantonrechter van oordeel is dat daarmee de toekomstige verzorging van rechthebbende geen gevaar loopt. Daarbij wordt gelet op enerzijds de verwachte inkomsten en anderzijds het behoeftepatroon van rechthebbende, waaronder kosten van levensonderhoud, recreatie, bewindvoering, bijdragen in gezondheidszorg en hulpmiddelen, reserves voor toekomstige verhuizing en herinrichting. Toelichting Vooropgesteld moet worden dat schenken een beschikkingsdaad is, en dus geen gewone beheersdaad waartoe de bewindvoerder met uitsluiting van de rechthebbende bevoegd is (art. 1:438 lid 1). Het veelgehoorde argument dat schenking een daad van goed vermogensbeheer is omdat de begiftigden zich successierecht besparen, behoort voor de kantonrechter geen goed argument te zijn omdat hij moet toezien op de belangen van de rechthebbende en niet die van mensen die zich diens erfgenaam wanen. Beschikken mag de rechthebbende zelf met medewerking van de bewindvoerder of, als die bewindvoerder weigert, met vervangende machtiging van de kantonrechter (art. 1:438 lid 2). Hier gaat het dus om een door de rechthebbende gewenste schenking. Het standaardverzoek tot machtiging voor schenkingen is echter afkomstig van de bewindvoerder, terwijl de rechthebbende niet meer in staat is zijn wil te bepalen. Soms kan die wil worden afgeleid uit aangetoonde repeterende handelingen van de rechthebbende voorafgaand aan instelling van het bewind (jaarlijkse donaties aan bepaalde goede doelen; periodieke gift aan kinderen van groter omvang dan regulier verjaarscadeau). Er is dan, behoudens het geval dat sprake is van zodanig afgenomen vermogen dat voortzetting van die traditie de toekomstige verzorging van rechthebbende in gevaar brengt, geen reden om van dit gebruik af te wijken. Daarbij dient wel te worden vastgesteld of er op basis van die gebleken traditie een inbrengverplichting is zoals bedoeld in art. 4:229 BW. De wil van rechthebbende kan ook niet met voldoende zekerheid worden afgeleid uit een kopie van een testament dat in de kast gevonden wordt. De uiterste wil kan immers gewijzigd zijn en of dat zo is, is voor overlijden van rechthebbende door niemand te controleren, ook niet door notarissen. De gevaren van het toestaan van schenkingen, zeker wanneer geen sprake is van een aantoonbare schenkingstraditie, zullen zich vooral na overlijden van de rechthebbende openbaren. Misschien is er geen testament, maar heeft de rechthebbende meer kinderen dan bij instellen bewind of het verzoek tot machtiging zijn vermeld. Of blijken er kinderen in de nalatenschap gerechtigd uit een eerder, bij instelling van het bewind of bij een verzoek te machtigen tot schenking, verzwegen huwelijk van rechthebbende of diens vooroverleden partner. Of er is wel een testament waarbij een of meer kinderen zijn onterfd, waarbij het te verkopen huis of de waarde daarvan is gelegateerd aan een derde, etc. Deze risico's moeten worden afgewogen tegen de zekerheid dat ieder na overlijden van de rechthebbende zijn rechtmatige (belaste) deel krijgt. Voor het nemen van enig risico in het belang van rechthebbende kan bij voorbeeld alle reden zijn indien er een financiële constructie nodig is om de rechthebbende langdurig in eigen huis door een of meer kinderen te laten verzorgen. Ook zonder zo'n constructie zouden verzorgende kinderen overigens een aanspraak hebben op de nalatenschap, zie art. 4:36 BW. Voorts is voorstelbaar dat een verzoek tot schenking aan bij voorbeeld de noodlijdende kinderboerderij, waar rechthebbende graag vertoeft, in het belang van rechthebbende wordt geoordeeld.Het LOK is van mening dat heldere beleidslijnen gewenst zijn, waarbij de hoofdregel duidelijk maakt dat een verzoek tot machtiging voor een schenking niet vanzelfsprekend gehonoreerd wordt, en de uitzondering voldoende ruimte geeft aan de kantonrechter om maatwerk te leveren. In diezelfde geest wordt in de aanbeveling een bodembedrag (een schenkingsvrije voet) neergelegd in plaats van een open norm. Gekozen is voor een leeftijdsafhankelijk normbedrag, waarvan kan worden afgeweken indien het behoeftenpatroon, waaronder kosten van verhuizing en herinrichting, eigen bijdragen in gezondheidszorg en hulpmiddelen, kosten van levensonderhoud, recreatie en bij voorbeeld van bewind, naar verwachting aanmerkelijk meer of minder uitgaven vereist.
Aanvulling:
Een verzoek tot het vervroegd uitkeren van ‘kindsdelen’ (vastgestelde geldvorderingen van kinderen op de langstlevende ouder in het kader van ouderlijke boedelverdeling of bij wettelijke verdeling) wordt niet geheel gelijk gesteld met een verzoek tot schenking. Het gaat hier om echte aanspraken die slechts opeisbaarheidsbeperkingen hebben en ‘achtergesteld’ zijn met het oog op de, door de erflater of de wetgever gevoelde, verzorgingsbehoefte van de langstlevende die op deze aanspraken mag interen.
In vervroeging van het moment van opeisbaarheid kan wel een bevoordeling gezien worden. Als de verzorgingsbehoefte geen gevaar loopt (waarbij de vermogensgrenzen in de schenkingsaanbeveling als indicatie kunnen gelden) en geen intering is te voorzien, is denkbaar dat bij een dergelijk verzoek kan worden afgeweken van de hoofdregel ‘nee, tenzij schenkingstraditie’, hoewel rechthebbende bij dit verzoek geen belang heeft.
E. Aanbevelingen met betrekking tot erfrecht1. De bewindvoerder die kennis krijgt van het overlijden van de partner van rechthebbende dan wel van een familielid van de rechthebbende in de eerste of tweede graad, dient hiervan zo spoedig mogelijk de toezichthoudende kantonrechter op de hoogte te stellen, onder vermelding van de naam en standplaats van de eventueel ingeschakelde notaris. 2. Indien de rechthebbende erfgenaam is en in staat is zijn wil te bepalen, mag de bewindvoerder:a. met toestemming van de rechthebbende de erfenis zuiver aanvaarden dan wel een making of gift aannemen waaraan een last of voorwaarde is verbonden;b. niet zonder machtiging van de toezichthoudende kantonrechter de erfenis verwerpen. De kantonrechter vergewist zich van het standpunt van de rechthebbende die in staat is zijn wil te bepalen alvorens op het verzoek wordt beslist. 3. Indien de rechthebbende erfgenaam is en niet in staat is zijn wil te bepalen, wordt van de bewindvoerder verlangd dat hij zich zo spoedig mogelijk op de hoogte stelt van de omvang van de nalatenschap en, wanneer deze negatief is, machtiging tot verwerping verzoekt, tenzij er goede redenen zijn om ook een negatieve nalatenschap beneficiair te aanvaarden. Wanneer onvoldoende duidelijk is dat het saldo van de de nalatenschap negatief is, dient de bewindvoerder beneficiair te aanvaarden en, zo mogelijk na overleg met de bij de boedel betrokken notaris of de boedelnotaris, deze beneficiaire aanvaarding in te laten schrijven in het boedelregister ter griffie van de rechtbank van de laatste woonplaats van de overledene. De bewindvoerder die machtiging voor verwerping van de nalatenschap of voor aanvaarding van een erfstelling of legaat onder last of voorwaarde behoeft, verzoekt daar zo spoedig mogelijk om bij de toezichthoudende kantonrechter, onder toevoeging van stukken waaruit de reden voor verwerping blijkt, dan wel een kopie van het testament waarin de last of voorwaarde is neergelegd.4. Voor de verdeling van de nalatenschap behoeft de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende of, als deze daartoe niet in staat is, machtiging van de toezichthoudende kantonrechter. De conceptakte van verdeling dient ter goedkeuring aan de toezichthoudende kantonrechter te worden voorgelegd. Toelichting Indien de rechthebbende erfgenaam is en de opengevallen nalatenschap onder het bewind zal vallen (het bewind van art. 1:431 BW moet dan de toekomstige goederen van rechthebbende omvatten), dient de bewindvoerder de erfenis volgens de hoofdregel van art. 1:441 lid 5 BW beneficiair te aanvaarden, maar hij mag op grond van de tweede zin van dit artikellid zuiver aanvaarden indien de rechthebbende wilsbekwaam is en toestemt in zuivere aanvaarding.Voor verwerping lijkt op grond van art. 4:193 lid 1 BW steeds een machtiging van de kantonrechter nodig, ook al is de rechthebbende wilsbekwaam. Het LOK is van mening dat de kantonrechter zich moet vergewissen van het standpunt van de wilsbekwame rechthebbende bij een verzoek van de bewindvoerder hem te machtigen tot verwerping. Omdat beneficiaire aanvaarding tot gevolg heeft, dat in het kader van vereffening van de nalatenschap aan allerlei extra formaliteiten moet worden voldaan, is het zinvol dat de bewindvoerder zich zo spoedig mogelijk op de hoogte stelt van de omvang van de nalatenschap en machtiging tot verwerping vraagt indien het saldo negatief is. Dit kan uiteraard anders zijn indien de rechthebbende bij voorbeeld om emotionele redenen wil meedelen in de schulden van erflater. Voor het machtigingsverzoek wordt geen griffierecht geheven. Wanneer de nalatenschap beneficiair wordt aanvaard of -met machtiging van de kantonrechter- wordt verworpen, dient de bewindvoerder deze verklaring ingevolge art. 4:193 lid 1 BW in beginsel binnen drie maanden af te leggen. Hiervoor is aantekening in het boedelregister vereist en overlegging van de machtiging tot verwerping. Het boedelregister bevindt zich bij de rechtbank van de laatste woonplaats van de erflater; voor inschrijving is griffierecht verschuldigd. De termijn van drie maanden gaat lopen vanaf het moment waarop de rechthebbende de positie van erfgenaam inneemt; bij plaatsvervulling kan dat zijn vanaf het moment waarop degene wiens plaats vervuld wordt tot verwerping is overgegaan. De termijn van drie maanden kan worden verlengd door de kantonrechter van de laatste woonplaats overledene (zie art. 4:193 lid 1 slot jo. art. 4:192 lid 2 BW). Tenslotte bepaalt art. 1:441 lid 2 aanhef en onder b BW dat de bewindvoerder met toestemming van de rechthebbende of anders met machtiging van de kantonrechter een erfstelling of legaat onder last of voorwaarde mag aannemen. Ten aanzien van de verdeling van de nalatenschap zijn de artikelen 1:441 lid 4 en art. 3:183 BW van toepassing. Voor het zover komt zal de beneficiair aanvaarde boedel eerst vereffend moeten worden. In de regel zullen andere belanghebbenden dan de bewindvoerder hiervoor initiatief nemen, maar ter vermijding van problemen acht het LOK het van belang dat de toezichthoudende kantonrechter op de hoogte wordt gesteld van overlijden van iemand uit de naaste familieomgeving van de rechthebbende en de mogelijk reeds betrokken notaris. De kantonrechter kan in het belang van rechthebbende nadere informatie van de bewindvoerder verlangen over de afwikkeling van de nalatenschap.F. Aanbevelingen bij samenloop met andere vormen van bewind1. Indien de kantonrechter de beschermingsbewindvoerder benoemt tot testamentair bewindvoerder, dan dient deze het uit de nalatenschap verkregen vermogen zoveel mogelijk gescheiden te houden van het andere vermogen van de rechthebbende en deze gescheiden te administreren. 2. De testamentair bewindvoerder dient rekening en verantwoording af te leggen aan de bewindvoerder en aan anderen in wier belang het testamentair bewind is ingesteld; de bewindvoerder is in het kader van zijn beheerstaak verplicht de rekening op te nemen. Toelichting Het beschermingsbewind van Boek 1 Titel 19 BW vervalt niet wanneer de rechtbank schuldsanering uitspreekt en een bewindvoerder in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) benoemt, die hierna, ter onderscheiding, saneringsbewindvoerder wordt genoemd. De kantonrechter heeft hierin geen taak. De bewindvoerder ondervindt wel gevolgen: de post zal in het vervolg naar de saneringsbewindvoerder gaan en de omvang van het beschermingsbewind zal zich in de praktijk beperken tot het vermogen dat buiten de saneringsboedel valt. Denkbaar is dat de taken van de bewindvoerder gedurende het saneringsbewind zodanig beperkt zijn, dat de frequentie voor rekening en verantwoording aangepast kan worden; niet uitgesloten is dat de taken van de bewindvoerder kunnen worden opgeschort tot beëindiging van het saneringsbewind. Uit de praktijk zijn het LOK geen knelpunten bekend die tot een aanbeveling nopen. Naast beschermingsbewind kan ook sprake zijn van testamentair bewind (anders dan over het vermogen van een minderjarige) als bedoeld in art. 4: 153 e.v. BW. Het gaat dan om goederen die de rechthebbende als erfgenaam of legataris uit een nalatenschap verkrijgt en waarvan de erflater bij testament heeft bepaald dat die goederen onder bewind moeten vallen. Dat bewind vangt in de regel aan op het tijdstip van overlijden van de erflater. Indien de benoeming van de testamentair bewindvoerder niet bij testament is geregeld, benoemt de kantonrechter op verzoek een bewindvoerder (art. 4:157 BW). De goederen die onder testamentair bewind vallen, dienen zoveel mogelijk gescheiden gehouden te worden van het overige vermogen van de rechthebbende, niet alleen omdat de testamentair bewindvoerder het beheer en een rekenplicht heeft over het erfdeel, maar ook omdat er verschillende vormen van testamentair bewind zijn die tot verschillende rechtsgevolgen kunnen leiden (waaronder de verplichting ook rekening en verantwoording af te leggen aan derden). Heeft de kantonrechter (volgens de Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter: van de woonplaats van de rechthebbende) de testamentair bewindvoerder benoemd, dan moet deze kantonrechter een afschrift van de boedelbeschrijving krijgen (art. 4:160 BW). De door de kantonrechter benoemde testamentaire bewindvoerder dient rekening en verantwoording af te leggen op dezelfde wijze als neergelegd in de aanbevelingen B 3 en B 4, maar indien er ook beschermingsbewind is dat zich in beginsel ook over het erfdeel uitstrekt, dan wordt door de testamentair bewindvoerder rekening en verantwoording afgelegd aan de bewindvoerder, die immers belast is met beheer. Zie ook art. 4:161 lid 3 BW. De vruchten van het vermogen dat onder testamentair bewind staat, kunnen ingevolge art. 4:162 BW onder het beschermingsbewind gaan vallen. De wetgever heeft in art. 4:159 BW voor de testamentair bewindvoerder een afwijkend beloningssysteem ingevoerd. Zou de kantonrechter overwegen om de beschermingsbewindvoerder te benoemen tot testamentair bewindvoerder, dan is dat des te meer reden om gescheiden administratie te verlangen. G. Einde bewind, wijziging bewindvoerder of overlijden bewindvoerder 1. Conform het besluit van het LOK van 29 oktober 2001 dient een verzoek tot opheffing van bewind te worden beoordeeld door de toezichthoudende kantonrechter, bij wie bij voorkeur het verzoek moet worden ingediend. De bewindvoerder en de rechthebbende worden op het verzoek gehoord. Zo mogelijk verifieert de kantonrechter of de rechthebbende akkoord gaat met de eindrekening en verantwoording.2. Een verzoek tot wijziging van de bewindvoerder wordt eveneens beoordeeld door de toezichthoudende kantonrechter, bij wie bij voorkeur het verzoek moet worden ingediend. De rechthebbende en de andere belanghebbenden (zie mede het oorspronkelijke verzoekschrift) worden van het verzoek in kennis gesteld en zo nodig gehoord. Bij de opvolgende benoeming gelden wederom de aanbevelingen A 5, 6 en 7. 3. Wanneer er twee bewindvoerders zijn rust op de andere bewindvoerder de verplichting om de toezichthoudende kantonrechter zo spoedig mogelijk in kennis te stellen van het overlijden van de medebewindvoerder. ToelichtingEen verzoek tot opheffing van het bewind dient om praktische redenen te worden beoordeeld door de toezichthoudende kantonrechter, zoals het LOK heeft besloten op 29 oktober 2001. Het komt daarom praktisch voor om aan te bevelen dat zo’n verzoek daar ook moet worden ingediend. Gebeurt dat, in afwachting van de wetswijziging waarbij de competentie voor het toezicht wordt gewijzigd, toch bij de kantonrechter van de woonplaats van de rechthebbende, dan vindt verwijzing plaats. Aanbevolen wordt om de bewindvoerder en de rechthebbende op zitting te horen en daarbij zo mogelijk tevens te controleren of de rechthebbende akkoord gaat met de (concept-) eindrekening en verantwoording. Het bewind eindigt van rechtswege door het verstrijken van de bepaalde tijd waarvoor het bewind is ingesteld, en door overlijden of ondercuratelestelling van de rechthebbende. In de eerste twee gevallen is eindrekening en verantwoording vereist; in het laatste geval behoeft dat alleen indien de curator een ander is dan de oorspronkelijke bewindvoerder. Aanbeveling B 8 verplicht de bewindvoerder om het overlijden van de rechthebbende zo spoedig mogelijk te melden. Een bewindvoerder kan om hem moverende redenen ontslag vragen bij de toezichthoudende kantonrechter. Bij benoeming van een nieuwe bewindvoerder gelden wederom de aanbevelingen A 5, 6 en 7.Wanneer de bewindvoerder overlijdt, bepaalt art. 1:448 lid 3 BW dat diens erfgenamen, als zij van het bewind kennis dragen, verplicht zijn al datgene te doen wat niet zonder nadeel voor de rechthebbende kan worden uitgesteld, totdat een opvolgend bewindvoerder is benoemd. Het komt weinig voor dat overlijden van de bewindvoerder wordt gemeld. Het verdient aanbeveling in de handleiding voor bewindvoerders op te nemen dat zij een of meer mensen uit hun omgeving in kennis stellen van het feit dat zij bewindvoerder zijn, en aan deze mensen te vragen om te toezichthoudende kantonrechter op de hoogte te stellen bij overlijden. Indien er twee bewindvoerders zijn benoemd, wordt van de andere bewindvoerder verlangd dat hij de kantonrechter zo spoedig mogelijk van het overlijden van de medebewindvoerder in kennis stelt.
H. Aanbeveling overgangsrecht bij op 1 mei 2007 lopende bewinden
1. Het toezicht op een op 1 mei 2007 lopende curatele, meerderjarigenbewind of mentorschap wordt ook na die datum gehouden door de kantonrechter die daags voor 1 mei 2007 toezicht hield. Dat is alleen anders als deze kantonrechter het toezicht op of na 1 mei 2007, door middel van een verwijzingsbeschikking, overdraagt aan de kantonrechter van de echte woonplaats van de te beschermen persoon.
2. De onder 1. bedoelde kantonrechter is bevoegd inzake vanaf 1 mei 2007 ingediende verzoeken tot opheffing van een op 1 mei 2007 lopend meerderjarigenbewind of mentorschap, en tot ontslag van de fungerende en benoeming van een nieuwe bewindvoerder of mentor. Ditzelfde geldt voor verzoeken tot uitbreiding of beperking van de goederen die onder het bewind vallen, en alle andere kwesties die het lopende meerderjarigenbewind of mentorschap zelf betreffen.
3. De kantonrechter van de echte woonplaats van de te beschermen persoon is bevoegd in vanaf 1 mei 2007 ingediende verzoeken tot:
opheffing van curatele;
ontslag van de curator;
benoeming van een nieuwe curator in een lopende curatele;
omzetting van een lopende curatele in meerderjarigenbewind en/of mentorschap;
omzetting van een lopend meerderjarigenbewind en/of mentorschap in curatele;
instelling van curatele, meerderjarigenbewind of mentorschap waar die maatregel nog niet bestaat.
4. Indien de kantonrechter van de echte woonplaats van de te beschermen persoon bevoegd is, kan deze zo nodig het beheersdossier in de lopende beschermingsmaatregel opvragen bij de toezichthoudende kantonlocatie. Dat geldt ook voor eventuele connexe dossiers (bij dezelfde te beschermen persoon is dit in de regel het mentorschapdossier, maar ook kan gedacht worden aan een samenhangend dossier van een andere rechthebbende zoals de echtgenoot wiens goederen eveneens onder bewind zijn gesteld). Wordt het toezicht voortgezet door de kantonrechter van de echte woonplaats van de te beschermen persoon en treedt daarbij geen wijziging op in de persoon van degene die is benoemd tot mentor of die verantwoordelijk is voor het (curatele-)bewind, dan dient alsnog een verwijzingsbeschikking door de verzendende locatie worden gemaakt.
5. Verwijzing van op 1 mei 2007 lopende curatelen, meerderjarigenbewinden en mentorschappen naar de kantonrechter van de echte woonplaats van de te beschermen persoon kan in andere gevallen alleen na voorafgaand overleg tussen de betrokken locaties. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:
Echt complexe dossiers (bijvoorbeeld zaken waarover frequent contact tussen kantonrechter en bewindvoerder is, en vooralsnog nodig blijft), blijven in beginsel waar ze zijn.
Indien een bewindvoerder, curator of mentor verhuist naar een kantonlocatie buiten het gebied van de toezichthoudende kantonrechter, is dit een goed moment om alle dossiers te concentreren bij de kantonrechter van de echte woonplaats van rechthebbende. In geen geval mag het dossier meeverhuizen naar een locatie waar rechthebbende niet woont.
In andere gevallen: lopende curateledossiers of zaken waarin alléén bewind of alléén mentorschap is ingesteld, worden in beginsel niet overgedragen wanneer de te beschermen persoon een leeftijd van 75+ heeft. Ratio: hoe korter het toezicht naar verwachting, gelet op de leeftijd, zal duren, des te minder reden is er om een andere kantonrechter nog met de zaak, en de bewindvoerder, curator of mentor met een andere kantonrechter te belasten.
In zaken waarin er zowel bewind als mentorschap is en waarin verschillende kantonlocaties toezicht houden (A en B), is concentratie van toezicht in het algemeen wenselijk. Dit moet dan gebeuren bij de kantonrechter van de echte woonplaats van de te beschermen persoon en dat kan dan in locatie C zijn.
In andere gevallen is uitgangspunt dat de dossiers blijven waar ze zijn, tenzij de curator, bewindvoerder of mentor om verhuizing naar de echte woonplaats van de te beschermen persoon vraagt, of indien de kantonrechter zelf goede redenen voor overdracht heeft, zulks echter alleen na collegiaal overleg met de beoogd ontvangende ambtgenoot. In het laatste geval dienen belangen van de curator, bewindvoerder of mentor meegewogen te worden (bijvoorbeeld beduidend langere reistijd naar de kantonrechter).
Toelichting
Met invoering van de Wet van 22 november 2006, Stb. 2006, 589, die op 1 mei 2007 in werking is getreden, wordt de kantonrechter van de echte woonplaats van rechthebbende de toezichthouder in alle gevallen waarin na die datum een beschermingsmaatregel (curatele, bewind of mentorschap) wordt uitgesproken. De zogeheten “afhankelijke woonplaats” vervalt.
Ter voorkoming van mogelijke onduidelijkheid over het overgangsrecht (artikel VI van die wet) inzake de vraag welke rechter bevoegd is bij voor die datum uitgesproken beschermingsmaatregelen, is bovenstaande aanbeveling vastgesteld.
Voor het gemak van degenen die met de materie te maken krijgen, is aangegeven welke kantonrechter in welke zaak bevoegd is, waarbij in het midden wordt gelaten of dat krachtens art. VI lid 3 is of door onmiddellijke werking.
Art. VI lid 3 voornoemd is geschreven met het oog op het nieuwe art. 1:12 lid 4 BW[1] en regelt de relatieve competentie van de kantonrechter voor het toezicht en beheerswerk in alle voor 1 mei 2007 uitgesproken curatelen, titel 19-bewinden en mentorschappen (hierna: lopende curatelen, meerderjarigenbewinden en mentorschappen)[2].
Art. VI lid 3 ziet niet op gevallen die voor 1 mei 2007 tot de absolute competentie van de rechtbank hoorden: opheffing van een lopende curatele; omzetting van een lopende curatele in bewind en/of mentorschap; omzetting van lopend bewind en/of mentorschap in curatele; een verzoek tot ontslag van de curator en tot benoeming van een nieuwe curator. Voor die verzoeken geldt dat de nieuwe wet onmiddellijke werking heeft. Bevoegd in die gevallen is daarom vanaf 1 mei 2007 de kantonrechter van de echte woonplaats van de rechthebbende/curandus.
Aanbevelingen meerderjarigenbewindVastgesteld door het LOK op 26 april 2004Gepubliceerd op 1 juni 2004Aangevuld op 27 mei 2008
donderdag 24 juli 2008
Aanhoudingen na fraude met vermogen dementerende vrouw
woensdag 15 september 2004
Bericht uit de regio Eindhoven:
Aanhoudingen na fraude met vermogen dementerende vrouw
Maandag en dinsdag zijn in Eindhoven in hun woning een man van 78 en een vrouw van 61 aangehouden.
De twee worden verdacht van diefstal en fraude.
Ze hebben in de periode van 2001 tot april 2003 zich proberen te verrijken aan het vermogen van een dementerende vrouw (75 jaar oud).
De twee hadden al acht jaar lang de zorg voor de alleenstaande vrouw op zich genomen.
Toen de geestelijk toestand van de vrouw verder verslechterde constateerde haar bewindvoerder dat er onrechtmatige geldopnamen plaats vonden.
Er werd ook geprobeerd het testament van de dementerende vrouw te wijzigen maar dat lukte niet, omdat een notaris ingreep.
Ook een bankmedewerker greep in toen hij zag dat er onrechtmatige wijzigingen plaats vonden met betrekening tot het vermogen van de vrouw.
Nadat de bedragen die gepind werden steeds groter werden en de twee zich probeerden te bevoordelen met schenkingen van het slachtoffer deed de bewindvoerder aangifte bij de politie. De politie startte met ondersteuning van het interregionaal bureau geld- en waardeverkeer Zuid-Nederland een onderzoek naar de diefstal en fraude.
Door de fraude en diefstal is het slachtoffer met een bedrag tussen 27.000 tot 45.000 euro benadeeld.
De twee zijn in verzekering gesteld.
De politie verwacht nog meer aanhoudingen te verrichten in deze zaak.
FRAUDE KUNT U MELDEN VIA INFO@LAATJENIETKISTEN.COM
Bericht uit de regio Eindhoven:
Aanhoudingen na fraude met vermogen dementerende vrouw
Maandag en dinsdag zijn in Eindhoven in hun woning een man van 78 en een vrouw van 61 aangehouden.
De twee worden verdacht van diefstal en fraude.
Ze hebben in de periode van 2001 tot april 2003 zich proberen te verrijken aan het vermogen van een dementerende vrouw (75 jaar oud).
De twee hadden al acht jaar lang de zorg voor de alleenstaande vrouw op zich genomen.
Toen de geestelijk toestand van de vrouw verder verslechterde constateerde haar bewindvoerder dat er onrechtmatige geldopnamen plaats vonden.
Er werd ook geprobeerd het testament van de dementerende vrouw te wijzigen maar dat lukte niet, omdat een notaris ingreep.
Ook een bankmedewerker greep in toen hij zag dat er onrechtmatige wijzigingen plaats vonden met betrekening tot het vermogen van de vrouw.
Nadat de bedragen die gepind werden steeds groter werden en de twee zich probeerden te bevoordelen met schenkingen van het slachtoffer deed de bewindvoerder aangifte bij de politie. De politie startte met ondersteuning van het interregionaal bureau geld- en waardeverkeer Zuid-Nederland een onderzoek naar de diefstal en fraude.
Door de fraude en diefstal is het slachtoffer met een bedrag tussen 27.000 tot 45.000 euro benadeeld.
De twee zijn in verzekering gesteld.
De politie verwacht nog meer aanhoudingen te verrichten in deze zaak.
FRAUDE KUNT U MELDEN VIA INFO@LAATJENIETKISTEN.COM
woensdag 23 juli 2008
het recht om zelf te beslissen over uw behandeling
Als u ziek wordt, kunt u in een medische mallemolen terechtkomen.
Onderzoeken en behandelingen volgen elkaar op.
Hebt u daar zelf eigenlijk nog wat over te vertellen?
Het antwoord is ja.
U mag zelf beslissen of u behandeld wordt.
En u mag ook kiezen welke behandeling u krijgt.
Om goed te kunnen kiezen, moet u wel alle informatie hebben.
De arts moet u die informatie geven.
U hebt dus de volgende rechten:het recht op informatie over uw ziekte en op inzage in uw medisch dossier;het recht om zelf te beslissen over uw behandeling.
Deze rechten heten 'informed consent'.
Ze zijn vastgelegd in de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO).
Onderzoeken en behandelingen volgen elkaar op.
Hebt u daar zelf eigenlijk nog wat over te vertellen?
Het antwoord is ja.
U mag zelf beslissen of u behandeld wordt.
En u mag ook kiezen welke behandeling u krijgt.
Om goed te kunnen kiezen, moet u wel alle informatie hebben.
De arts moet u die informatie geven.
U hebt dus de volgende rechten:het recht op informatie over uw ziekte en op inzage in uw medisch dossier;het recht om zelf te beslissen over uw behandeling.
Deze rechten heten 'informed consent'.
Ze zijn vastgelegd in de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO).
Abonneren op:
Berichten (Atom)